Rb. 's-Gravenhage 27 maart 2003, ECLI:NL:RBSGR:2003:AF8137

Ongewenstverklaring / Europees Vestigingsverdrag. Verzoeker is bij vonnis van het Landesgericht Karlsruhe veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie jaar en negen maanden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder verzoeker in redelijkheid ongewenst kunnen verklaren. Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, Vb 2000 blijft uitzetting van een vreemdeling in afwijking van artikel 73, tweede lid, Vw 2000 achterwege, indien de vreemdeling onderdaan is van een land dat partij is bij het Europees Vestigingsverdrag, de vreemdeling onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop het rechtmatig verblijf is geëindigd gedurende twee aaneengesloten jaren rechtmatig verblijf heeft gehad, de vreemdeling zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft gevestigd en de vreemdeling tijdig bezwaar heeft gemaakt dan wel administratief beroep heeft ingesteld tegen een beschikking waarbij het rechtmatig verblijf is beëindigd. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker een onderdaan is van Turkije. Turkije is partij bij het Europees Vestigingsverdrag. Verzoeker voldoet aan artikel 7.2, eerste lid, Vb 2000. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de uitzetting van verzoeker achterwege dient te blijven totdat op het bezwaar is beslist. Toewijzing verzoek.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen