Rb. 's-Gravenhage 4 maart 2003, ECLI:NL:RBSGR:2003:AF7249

Mvv / land van bestendig verblijf. Bij de beoordeling van de vraag of een land kan worden aangemerkt als land van bestendig verblijf dient, naast de intentie bij aanvang van het verblijf en de duur daarvan, tevens te worden gekeken naar de aard van het verblijf. Het is niet onjuist of onredelijk om verblijf in een derde land hangende een asielprocedure, waarbij geen sprake is van toelating in de zin van het vreemdelingenrecht en waarvan de uitkomst niet op voorhand zeker is, naar zijn aard niet als bestendig verblijf aan te merken. In dit licht bezien is het niet onredelijk om de eis te stellen dat sprake dient te zijn van verblijf voor een periode langer dan drie maanden op grond van een verblijfstitel alvorens bestendig verblijf wordt aangenomen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het bij een aanvraag om een mvv gaat om een procedure met het oog op het verkrijgen van een reguliere verblijfsvergunning in Nederland en derhalve niet om een asielaanvraag. De omstandigheid dat verzoeker zijn aanvraag om een mvv in België heeft gedaan, terwijl hij aldaar met instemming van de bevoegde autoriteiten verbleef in afwachting van de uitkomst van het beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag, is onvoldoende om te kunnen spreken van bestendig verblijf aldaar. Afwijzing verzoek.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen