Rb. 's-Gravenhage 27 januari 2003, ECLI:NL:RBSGR:2003:AF7147
Procesbelang / doorprocederen / amv. Na inwerkingtreding van de Vw 2000 is eiseres in bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, Vw 2000. In beroep is aangevoerd dat zij in het bezit had moeten worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. De rechtbank is van oordeel dat de fictieve redenering die eiseres hanteert blijkens jurisprudentie van de ABRS van 5 maart 2002 geen stand kan houden. Weliswaar had de Afdelingsuitspraak betrekking op een asielzaak, doch niet valt in te zien waarom de door de Afdeling geformuleerde regel niet ook in reguliere zaken kan worden toegepast. Eiseres kon geen verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd worden verleend, omdat zij ten tijde van het bestreden besluit niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 21, Vw 2000. Verweerder heeft eiseres met terugwerkende kracht erkend als alleenstaande minderjarige vreemdeling. Dat aldus een titel is verleend waarvan de ingangsdatum voor de inwerkingtreding van de Vw 2000 is gelegen maakt verlening niet onrechtmatig. Voor 4 januari 2001, zijnde de ingangsdatum van het nieuwe amv-beleid, is eiseres meerderjarig geworden, hetgeen betekent dat verweerder overeenkomstig artikel 9.4, Vb 2000, juncto hoofdstuk C2/7.9.2 Vc 2000 kon besluiten eiseres in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking voortgezet verblijf. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl