Rb. 's-Gravenhage 31 december 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AF7243

Opvang / meeromvattende beschikking / bevoegdheid COA. Eisers hebben aanvragen ingediend om toelating als vluchteling. De minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie heeft de aanvragen afgewezen. Eisers hebben bezwaar ingediend en verzocht om een voorlopige voorziening. De president heeft het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en met toepassing van artikel 33b Vw de bezwaarschriften ongegrond verklaard. Eisers is medegedeeld dat hun vertrektermijn is verlopen, dat hun recht op opvang van rechtswege is geëindigd en dat zij verwijderbaar zijn geworden. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking het ondergaan van medische behandeling. Op grond van deze aanvraag verblijven eisers rechtmatig in Nederland. Eisers hebben zowel de minister als het COA verzocht besluiten te nemen, strekkende tot continuering van de verstrekkingen krachtens de Rva 1997. Vervolgens hebben eisers bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van beslissingen op de door eisers bij de minister ingediende aanvragen om toepassing van het in TBV 2001/31 neergelegde beleid en hebben zij terzake een voorlopige voorziening ingediend. Eisers hebben voorts tegen het uitblijven van besluiten door het COA beroep ingesteld. Tussen partijen is niet in geding dat eisers in een noodsituatie verkeren. Het COA stelt zich op het standpunt dat de huidige wettelijke regeling niet voorziet in een zelfstandige beslissingsbevoegdheid ten aanzien van het beëindigen van de opvang en dat zij eerst tot continuering van de opvang kan overgaan nadat de minister een daartoe strekkend besluit heeft genomen. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de MvT bij artikel 3a Wet COA zich uitzonderlijke omstandigheden kunnen voordoen waarin het COA, in afwijking van het uitgangspunt dat aan de wettelijke regeling van de meeromvattende beschikking als bedoeld in artikel 45 Vw 2000 ten grondslag ligt, een zelfstandige beslissingsbevoegdheid tot continuering van de opvang toekomt. Tegen een daartoe strekkend besluit of het uitblijven daarvan staat beroep open bij de vreemdelingenrechter. Naar het oordeel van de rechtbank is het in beginsel aan de minister om, ook in noodsituaties, het voortouw te nemen bij de besluitvorming over continuering van de opvang. Als deze besluitvorming echter niet kan worden afgewacht, ligt het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van het COA, als orgaan dat het meest direct is geconfronteerd met de situatie van betrokkenen, om in afwachting van nadere besluitvorming door de minister toepassing te geven aan de bijzondere bevoegdheid de opvang te continueren. Beroep gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen