Rb. 's-Gravenhage 31 december 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AF7166
Opvang / niet tijdig beslissen / medische situatie. De aanvragen van verzoekers om toelating als vluchteling zijn afgewezen. Verzoekers hebben bezwaar ingediend en hebben verzocht om een voorlopige voorziening. De president heeft het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en met toepassing de bezwaarschriften ongegrond verklaard. Verzoekers is medegedeeld dat hun vertrektermijn is verlopen, dat hun recht op opvang van rechtswege is geëindigd en dat zij verwijderbaar zijn geworden. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking medische behandeling. Op grond van deze aanvraag verblijven verzoekers rechtmatig in Nederland. Verzoekers hebben zowel de minister als het COA verzocht besluiten te nemen, strekkende tot continuering van de verstrekkingen. Vervolgens hebben verzoekers bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van beslissingen op de door verzoekers bij de minister ingediende aanvragen om toepassing van het in TBV 2001/31 neergelegde beleid en hebben zij terzake een voorlopige voorziening ingediend. Verzoekers hebben tegen het uitblijven van besluiten door het COA beroep ingesteld. Tussen partijen is niet in geding dat verzoekers in een noodsituatie verkeren. De minister stelt dat ten tijde van de indiening van de bezwaarschriften nog geen sprake was van een niet tijdig beslissen. De minister heeft aangevoerd dat hem een redelijke termijn moet worden gegund om op de aanvragen te beslissen, in het bijzonder vanwege de tijd die gemoeid is met het ter beoordeling van de aanvragen noodzakelijke inwinnen van medisch advies. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de minister dit terecht stelt. De voorzieningenrechter is evenzeer van oordeel dat de vraag welke termijn redelijk kan worden geacht niet kan worden beantwoord zonder acht te slaan op de concrete omstandigheden van het geval. De voorzieningenrechter is meer in het bijzonder van oordeel dat de aard van de problematiek waarop TBV 2001/31 ziet meebrengt dat verweerder met de nodige spoed een beslissing op de aanvragen dient te nemen, opdat wordt voorkomen dat de opvangvoorzieningen worden beëindigd in gevallen waarin dit uit medisch oogpunt niet verantwoord is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de minister onvoldoende gemotiveerd heeft waarom ten aanzien van verzoeker niet met de nodige spoed een besluit ten aanzien van de toepassing van TBV 2001/31 kan worden genomen. Niet valt in te zien waarom de minister in eerste instantie niet kan volstaan met het raadplegen van een politiearts, zoals ten aanzien van de toepassing van artikel 64 Vw 2000 is voorzien in hoofdstuk A4/7.1 Vc 2000. Toewijzing verzoek.
De uitspraak op rechtspraak.nl