Rb. 's-Gravenhage 29 oktober 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AF6771

Ongewenstverklaring / artikel 3 EVRM. Blijkens de jurisprudentie van het EHRM kan uitzetting van een zieke vreemdeling een onmenselijke behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM zijn. Het EHRM legt een strikte toets aan en neemt slechts in zeer uitzonderlijke gevallen schending van artikel 3 EVRM aan. In casu is de weigering om eisers ongewenstverklaring op te heffen en hem een vtv medische behandeling te verlenen niet strijdig met artikel 3 EVRM. De minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie kan besluiten tot opheffing van de ongewenstverklaring, wanneer klemmende redenen van humanitaire aard daartoe aanleiding geven. Daartoe dient een belangenafweging te worden gemaakt tussen het belang van eiser en het belang van de Nederlandse samenleving, dat is gediend met het voeren van een restrictief vreemdelingenbeleid en de bescherming van de openbare orde. In dat kader is van belang dat eiser nimmer legaal verblijf in Nederland heeft gehad en dat hij na zijn ongewenstverklaring in 1997 opnieuw is veroordeeld voor drugshandel. Gesteld noch gebleken is dat eiser andere banden heeft met Nederland dan de banden die zijn voortgevloeid uit zijn aanhouding en veroordeling. De rechtbank is van oordeel dat aan de beperkte behandelmogelijkheden in Colombia minder gewicht toekomt dan aan het Nederlands belang om de ongewenstverklaarde vreemdeling te weren. Terecht overweegt verweerder daarbij dat eiser zich niet in positieve zin onderscheidt van andere met HIV besmette Colombianen, die eveneens nadelen ondervinden van de problemen in de nationale gezondheidszorg en die evenmin in Nederland worden toegelaten. Dit geldt te meer nu het feit dat de ziekte van eiser zich in Nederland openbaarde slechts te wijten is aan zijn aanhouding wegens overtreding van de Opiumwet en daarop volgende veroordeling tot een onvoorwaardelijk gevangenisstraf. Indien eiser niet zou zijn aangehouden en zijn reis volgens eigen plan had volbracht, was hij evenzeer als andere met HIV besmette landgenoten op behandeling in Colombia aangewezen. Gegeven deze omstandigheden roept het feit dat de ziekte zich in Nederland openbaarde voor de Nederlandse overheid niet de verplichting in het leven zorg te dragen voor de gezondheid van eiser. Artikel 21, derde lid, Vw verhindert immers dat een ongewenstverklaarde vreemdeling in het bezit wordt gesteld van een vtv. Beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen