Rb. 's-Gravenhage 27 november 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AF6512

Irak / Koerd / artikel 1F VSV. Eiser is een Iraakse Koerd. Eind jaren tachtig heeft hij als peshmerga bij het Koerdisch verzet gestreden tegen het Iraakse leger. Hij heeft leiding gegeven aan een eenheid van vijf à zes personen. Na aanvallen op uitkijkposten van het Iraakse leger zijn soldaten en officieren van het Iraakse leger buitengerechtelijk geëxecuteerd. Verweerder heeft artikel 1F Vluchtelingenverdrag tegengeworpen op de grond dat eiser zich heeft schuldig gemaakt aan misdrijven tegen de menselijkheid. Het begrip misdrijf tegen de menselijkheid is in diverse internationale overeenkomsten uitgelegd, onder meer in artikel 7 van het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof van 17 juli 1998. Verweerder heeft de uitwerking van deze definitie neergelegd in het TBV 2001/37. Uit de definitie van het begrip misdrijf tegen de menselijkheid blijkt dat er sprake moet zijn van een handeling als onderdeel van een wijdverbreide of stelselmatige aanval gericht tegen de burgerbevolking. Uit de stukken is niet gebleken dat daarvan in dit geval sprake is. Voorzover verweerder heeft beoogd tegen te werpen dat eiser zich heeft schuldig gemaakt aan oorlogsmisdrijven, heeft de rechtbank geoordeeld dat volgens de definitie van dat begrip in het Statuut van Rome er - onder meer - sprake moet zijn van grootschalige gewelddadigheden en dat gedurende het conflict deelnemende partijen een gedeelte van het bewoonde grondgebied van de betreffende staat feitelijk in handen hebben. Uit het dossier blijkt niet dat daarvan sprake is. Beroep gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen