Rb. 's-Gravenhage 8 oktober 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AF2394

Mvv / gezinshereniging / artikel 8 EVRM. Referente heeft op 8 juni 2001 voor haar Chinese zoon (eiser) een mvv aangevraagd met als doel gezinshereniging bij moeder. Referente verblijft sedert 1992 in Nederland en is in het bezit van een verblijfsvergunning. Zowel referente als haar partner bezitten de Nederlandse nationaliteit. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder hem ten onrechte niet in het bezit heeft gesteld van een mvv. De feitelijke gezinsband tussen referente en eiser is nimmer verbroken. In het kader van artikel 8 EVRM berust op de Nederlandse staat een positieve verplichting om eiser en referente in staat te stellen het gezinsleven in Nederland uit te oefenen. Verweerder had de uitspraak Sen van het EHRM van 21 december 2001 tegen Nederland moeten betrekken bij de beoordeling. Verweerder heeft betoogd dat aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor gezinshereniging niet is voldaan. De weigering om aan eiser verblijf toe te staan betekent geen schending van het recht op eerbiediging van het familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM, aangezien het beroep op het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van de uitspraak van het EHRM kan niet slagen. Blijkens TBV 2002/4 is het vereiste ‘feitelijk behoren tot het gezin’ gewijzigd. In de TBV is bepaald dat ‘indien de scheiding tussen de ouder(s) en het kind vijf jaar of langer heeft geduurd, wordt aangenomen dat de feitelijke gezinsband tussen ouder(s) en kind is verbroken’. Hier bestaan twee uitzonderingssituaties op. Aangezien eiser en referente langer dan vijf jaar van elkaar zijn gescheiden en eiser niet valt onder één van de twee uitzonderingssituaties, komt eiser niet in aanmerking voor verlening van een mvv in het kader van gezinshereniging. Voorzover wordt gesteld dat de weigering eiser een mvv te verlenen een schending oplevert van artikel 8 EVRM, overweegt de rechtbank dat, uitgaande van het bestaan van familie- en gezinsleven, er geen sprake is van inmenging. In tegenstelling tot verweerder is de rechtbank van oordeel dat de in de zaak Sen gemaakte belangenafweging richtinggevend is voor de onderhavige zaak, ook al zijn de omstandigheden in de zaak Sen niet geheel identiek aan de onderhavige zaak. Het standpunt van verweerder leidt er immers toe dat referente een keuze moet maken, die vanuit het oogpunt van een rechtvaardig evenwicht tussen haar belang en dat van de Staat, niet van haar gevergd kan worden. Referente moet met of zonder haar twee Nederlandse kinderen en partner naar China vertrekken om met eiser het gezinsleven uit te oefenen. De omstandigheden dat de Nederlandse partner van referente al meer dan 20 jaar woonachtig is in Nederland en in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit, dat de twee Nederlandse kinderen banden hebben met Nederland, dat referente in Nederland voor eiser kan zorgen, dat referente haar verblijf in Nederland heeft gelegaliseerd en dat referente en eiser sedert 1992 altijd contact hebben gehad, spelen een rol bij de belangenafweging. Beroep gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen