Rb. 's-Gravenhage 21 november 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AF1574
Vakantie vanuit de WAO kan bij aanvraag WW niet worden tegengeworpen. Eiser is per brief van 5 juni 2001 toestemming verleend om van 23 juli 2001 tot en met 2 september 2001 op vakantie te gaan. Eiser is per einde wachttijd (8 augustus 2001) minder dan 15% arbeidsongeschikt geacht, hetgeen hem in een gesprek met de arbeidsdeskundige op 13 september 2001 is medegedeeld. Op 24 september 2001 vraagt eiser met terugwerkende kracht (vanaf 8 augustus 2001) een WW-uitkering aan. Verweerder weigert deze uitkering aangezien eiser vanwege zijn vakantie feitelijk niet beschikbaar was voor de arbeidsmarkt. Rechtbank is van oordeel dat verweerder ten onrechte WW-uitkering heeft geweigerd. Daarbij heeft de rechtbank mee laten wegen dat uit de brief van 5 juni 2001 niet afgeleid kon worden dat de toestemming slechts betrekking had op de WAO-uitkering en niet op de WW-uitkering. Voorts wist en kon eiser op het moment dat hij toestemming vroeg niet weten dat hij in de toekomst wellicht een WW-uitkering zou aanvragen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in dit geval ten onrechte alle verantwoordelijkheid te dien aanzien bij de verzekerde heeft gelegd. Op het moment dat eiser toestemming vroeg om op vakantie te gaan liep zijn WAO-beoordeling nog. Op 23 juli 2001 wist eiser niet dat hij per einde wachttijd niet in aanmerking zou komen voor een WAO-uitkering. Sterker nog, dit heeft eiser eerst op 13 september 2001 en dus na terugkomst van zijn vakantie gehoord. In een situatie als deze, waarin expliciet om toestemming voor een vakantie wordt gevraagd en een verzekerde een WAO aanvraag heeft ingediend én te verwachten valt dat de beslissing daarover binnen de geplande vakantie valt (de beslistermijn op een WAO-aanvraag is ingevolge art. 87.2 WAO immers bepaald op 13 weken), had verweerder kunnen dan wel behoren te beseffen dat deze vakantie gevolgen zou kunnen hebben voor aanspraken op een WW-uitkering. Anders dan verweerder voorstaat is de rechtbank van oordeel dat de mogelijkheid dat eiser in de toekomst een WW-uitkering zou aanvragen, derhalve wel degelijk voorzienbaar was zodat verweerder eiser op eventuele consequenties had behoren te wijzen. Hieruit volgt dat de door verweerder op 5 juni 2001 gegeven toestemming moet worden geacht ook te zijn gegeven in het kader van de WW. Eiser kan bij de beoordeling van zijn recht op een WW-uitkering mitsdien niet worden verweten dat hij op vakantie is gegaan. Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder. mr. J.L. Verbeek WAO WW 16.1.b Vakantiebesluit (Besluit van de SVR van 23 januari 1992, Stcrt. 1992, 19 nr. 92 342) 2.1
De uitspraak op rechtspraak.nl