Rb. 's-Gravenhage 12 november 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AF1572

Bij toepassing art. 40 WAO geldt niet in alle gevallen een wachttijd van 52 weken. Eisers WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%, is op grond van art. 39a WAO herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Eiser is medegedeeld dat het WAO-vervolgdagloon op grond van art. 40 WAO per 13 november 2000 opnieuw wordt vastgesteld. Eiser heeft bezwaren tegen de ingangsdatum. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het standpunt van verweerder dat uit art. 40.1 WAO zou voortvloeien dat ook bij de toepassing van het derde en vierde lid van art. 40 WAO in alle gevallen een wachttijd van 52 weken geldt. De rechtbank overweegt hiertoe dat toekenning van een loondervingsuitkering ingevolge het derde lid van art. 40 WAO geschiedt met ingang van de dag waarop het recht op die herziening bestaat, waarbij met "die herziening" wordt gedoeld op "herziening van een arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid". De ingangsdatum van die herziening is afhankelijk van het artikel van de WAO op grond waarvan de herziening plaatsvindt. Hierbij kan een wachttijd van 52 weken, vier weken of geen wachttijd van toepassing zijn. Verweerder heeft zich derhalve ten onrechte op het standpunt gesteld dat bij de toepassing van art. 40, derde en vierde lid, WAO in alle gevallen een wachttijd van 52 weken geldt. In het geval van eiser heeft herziening van zijn arbeidsongeschiktheids-uitkering ingevolge art. 39a WAO plaatsgevonden na een wachttijd van vier weken. Hieruit vloeit voort dat eiser in beginsel na vier weken recht heeft op een loondervingsuitkering ingevolge art. 40.3 WAO. Op grond van art. 21a WAO is echter de duur van die uitkering voor personen jonger dan 33 jaar nihil. Eiser heeft derhalve na de wachttijd van vier weken geen recht op een loondervingsuitkering, maar wel op een vervolguitkering ingevolge het vierde lid van art. 40 WAO, waarbij voor de berekening van het vervolgdagloon dient te worden uitgegaan van de leeftijd van eiser op het moment van de herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder. mr. M.M. Smorenburg

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen