Rb. 's-Gravenhage 18 juli 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AF1298
Driejarenbeleid / relevant tijdsverloop. Eiser is afkomstig uit Somalië en verblijft sedert 31 januari 1995 in Nederland. Op 1 februari 1995 heeft hij een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een vtv. Bij beschikking van 23 oktober 1995 heeft verweerder de aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd en hem een vtv geweigerd. Bij beschikking van 6 juni 1996 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de beschikking in primo d.d. 23 oktober 1995 ongegrond verklaard. Bij afzonderlijk primair besluit d.d. 6 juni 1996 is aan eiser een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) verleend met ingang van 1 februari 1995. Het beroep gericht tegen de beschikking op bezwaar d.d. 6 juni 1996 is bij uitspraak van 24 juni 1998 ongegrond verklaard. Bij beschikking van 13 november 1997 heeft verweerder de laatstelijk tot 1 februari 1998 verlengde vvtv ingetrokken. Eiser heeft op 9 december 1997 tegen de beschikking d.d. 13 november 1997 bezwaar ingediend. Bij besluit van 5 juli 2000 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Op 2 augustus 2000 heeft eiser tegen dit besluit bij deze rechtbank beroep ingesteld. Tussen partijen is in het kader van het beroep op het driejarenbeleid, neergelegd in hoofdstuk A4/6.22 Vc-1994, met name in geschil of het tijdsverloop in de asielprocedure en in de procedure met betrekking tot de intrekking van de vvtv bij elkaar opgeteld dienen te worden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dit in het onderhavige geval niet dient te gebeuren. De rechtbank verwijst in dit kader naar de REK-uitspraken AWB 00/7754 en AWB 00/7749 d.d. 1 november 2000. Nu de beschikking op bezwaar in de asielprocedure reeds was genomen vóór de intrekking van de vvtv, is na de intrekking van de vvtv een nieuwe periode gaan lopen. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl