Rb. 's-Gravenhage 2 mei 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AF1245

Vtv partner / middelenvereiste / winstdeling. Het in de primaire beslissing door verweerder ingenomen standpunt dat referent niet duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan, aangezien hij in de jaren 1997 tot en met 1999 verlies heeft geleden, is door eiseres in bezwaar gemotiveerd betwist. Zij heeft gesteld dat het inkomen van referent met ingang van 1 januari 2000 gewijzigd is, in die zin dat zijn inkomen uit onderneming minimaal f 40.000,- per jaar zal bedragen. Verwezen is naar een bijgevoegd aanvullend contract op het vof-contract. In dit stuk zijn referent en zijn medevennoten, zijn ouders, in wijziging op het bestaande contract, het volgende overeengekomen: Vanaf 1 januari 2000 zal voordat tot winstdeling zal worden overgegaan partij Z (rechtbank: referent) een winstdeel ontvangen uit het bedrijf van f 40.000,-- (zegge: veertigduizend gulden). Indien het overblijvend saldo winst is, zal dit door partijen X, Y (rechtbank: vader resp. moeder) en Z verdeeld worden. Indien het overblijvend saldo verlies is, zal dit door partijen X en Y verdeeld worden. De rechtbank stelt vast dat, alhoewel in het overgelegde aanvullend vof-contract het woord „winstdeling“wordt gebruikt, uit de inhoud ervan op te maken is dat het materieel niet een winstdeling in de zin van hoofdstuk A4/4.2.1 Vc-1994 betreft, doch een ten laste van het eigen vermogen komende uitkering aan referent vóór winst-/verliesdeling. Voorts bieden de door referent overgelegde stukken geen aanknopingspunt om aan te nemen dat de verplichtingen uit het aanvullend contract niet (duurzaam) zouden kunnen worden nagekomen. Op grond van het vorenstaande al kan niet gezegd worden dat sprake was van een kennelijk ongegrond bezwaar in de zin van artikel 7:3 Awb. Verweerder heeft dan ook ten onrechte van het horen van referent afgezien. Beroep gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen