Rb. 's-Gravenhage 3 september 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AE9751

Ongewenstverklaring / opheffing / artikel 8 EVRM. Het bestreden besluit geeft er geen blijk van dat een belangenafweging heeft plaatsgevonden conform de ‘guiding principles’ zoals geformuleerd door het EHRM in de zaak Boultif. Verweerders belang is gelegen in het niet, ook niet voor korte tijd, laten verblijven in Nederland van eiser op grond van de veroordeling tot achttien maanden gevangenisstraf. Daartegenover staat het belang van eiser bij gezinsleven. De rechtbank overweegt in dit verband dat eiser ruim elf jaar in Nederland verblijft; dat het strafbare feit is gepleegd in 1995; dat eiser sindsdien niet meer in aanraking is gekomen met politie en justitie; dat, gelet op de kringen waarin eiser zich thans beweegt, aanleiding bestaat het recidivegevaar gering te achten; dat eiser (reeds zes jaar) een relatie heeft met een Nederlandse man, die een goede baan heeft en geen enkele band met Marokko; dat de homoseksuele relatie in het land van herkomst van eiser moeilijk kan worden uitgeoefend, nog los van het feit dat deze aldaar strafbaar is. Onder deze omstandigheden is de ongewenstverklaring van eiser disproportioneel. De inmenging in het gezinsleven door de ongewenstverklaring kan niet worden gerechtvaardigd op (een van) de gronden zoals genoemd in het tweede lid van artikel 8 EVRM. Beroep gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen