Rb. 's-Gravenhage 6 oktober 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AE9569
Art. 7.2 Bdr verzet zich er niet tegen om daadwerkelijk afgeloste schulden op grond van de schuldsaneringsregeling als bijzondere uitgaven in de zin van deze bepaling aan te merken Afwijzing aanvraag toevoeging omdat eisers inkomen de bij de wet gestelde grens overschrijdt. Verweerder heeft kinderalimentatie terecht als inkomen aangemerkt. Kinderalimentatie is immers een vorm van regelmatige inkomsten als bedoeld in artikel 4 Bdr. De rechtbank is voorts van oordeel dat art. 7.2 Bdr zich er niet tegen verzet om daadwerkelijk afgeloste schulden op grond van de schuldsaneringsregeling als bijzondere uitgaven in de zin van deze bepaling aan te merken. Hierbij kan, gelet op het uitgangspunt van art. 5 Bdr dat het tijdstip waarop het verzoek om toevoeging wordt gedaan als peilmoment voor de berekening van de draagkracht dient te worden gehanteerd, in beginsel geen rekening worden gehouden met aflossingen die ná de indiening van de aanvraag alsnog worden gedaan. Dit ligt evenwel anders indien het aflossingsbedrag eerst ná het verzoek om toevoeging en bovendien met terugwerkende kracht tot vóór het verzoek door de rechter-commissaris wordt vastgesteld. Als dan alsnog conform het vastgestelde aflossingsbedrag wordt afgelost, brengt een redelijke toepassing van art. 7.2 Bdr mee dat de afgeloste bedragen die betrekking hebben op de periode vóór het verzoek om toevoeging alsnog op het maandinkomen in mindering worden gebracht. Gegrond beroep. De raad voor rechtsbijstand te ’s-Gravenhage, verweerder. Mr. E.J.M. Heijs
De uitspraak op rechtspraak.nl