Rb. 's-Gravenhage 22 augustus 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AE8416

Vertrekmoratorium / Irak / deportatie. Op grond van de gedingstukken is in het geheel geen duidelijkheid ontstaan omtrent de vraag of eiser, een Koerd, op grond van de deportatie naar Iran omstreeks 1982 als vluchteling kan worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit op voorhand niet worden uitgesloten. Reeds hierom is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en een deugdelijke motivering ontbeert. Naar het oordeel van de rechtbank komt het beroep ook op een andere grond voor vernietiging in aanmerking. Eiser is geboren in Centraal-Irak en niet is gebleken dat hij niet onder de werking van het op 21 mei 2002 ingestelde vertrekmoratorium valt. Verweerders beleid met betrekking tot de beoordeling van asielaanvragen van personen van Iraakse afkomst houdt in dat, hoewel de situatie in Centraal-Irak zodanig is dat deze mogelijk aanleiding zou kunnen vormen voor het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid, een dergelijk beleid niet wordt gevoerd omdat er voor afgewezen asielzoekers uit Centraal-Irak een verblijfsalternatief in Noord-Irak is. Naar het oordeel van de rechtbank is de toegankelijkheid van het verblijfsalternatief van belang bij het wel of niet kunnen tegenwerpen van een verblijfsalternatief. Gelet op de omstandigheid dat blijkens het ambtsbericht van 9 april 2002, zoals dat door verweerder blijkens zijn brief van 21 mei 2002 wordt uitgelegd, uitgeprocedeerde asielzoekers afkomstig uit Centraal-Irak niet in Noord-Irak worden toegelaten, is de rechtbank van oordeel dat voor afgewezen asielzoekers afkomstig uit Centraal-Irak thans geen verblijfsalternatief meer is in Noord-Irak. Nu de bestreden beschikking op basis van het voornoemde beleid is genomen, terwijl er van een verblijfsalternatief thans geen sprake meer is, ontbeert het bestreden besluit, ex nunc toetsend, een deugdelijke motivering. Beroep gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen