Rb. 's-Gravenhage 30 augustus 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AE8400
Toeslagenwet valt onder de toepasselijkheid van het Algemeen verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko. Art. 5 Verdrag verzet zich tegen toepassing van art. 4a.1 TW en art. XI Wet BEU. Verweerder heeft aan eiser medegedeeld dat de door hem ontvangen toeslag op zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de TW vanaf 1 januari 2000 jaarlijks wordt afgebouwd en met ingang van 1 januari 2003 wordt ingetrokken. Eiser acht dit in strijd met art. 1 jo. art. 5 van het Verdrag. Rb.: Omdat de TW en/of (gezins)toeslagenregelingen niet worden genoemd in art. 1, eerste lid, aanhef en onder a, Verdrag, valt de TW alleen onder de werking van het Verdrag indien de TW kan worden aangemerkt als een wet als bedoeld in art. 1, tweede lid, van het Verdrag. De rechtbank is van oordeel dat de TW als een dergelijke wet moet worden aangemerkt. Ook indien art. 1, tweede lid, van het Verdrag zo gelezen moet worden dat het Verdrag alleen mede van toepassing is op wetten en regelingen die wijzigingen of aanvullingen aanbrengen in de in het eerste lid genoemde wettelijke regelingen zelf, valt de TW onder deze bepaling. De TW regelt namelijk uitsluitend toeslagen op loondervinguitkeringen (WAO, WW, en ZW), die alle onder de in art. 1, eerste lid, aanhef en onder a, van het Verdrag genoemde regelingen vallen. De TW regelt geen toeslagen op uitkeringen krachtens andere wetten, noch zelfstandige toeslagen. De wetgever had de gezinstoeslagen ook heel goed in de betreffende wetten (WAO, WW en ZW) kunnen regelen. Dat de wetgever de gezinstoeslagen apart geregeld heeft in de TW is dus min of meer toevallig. Aan deze min of meer toevallige omstandigheid kan dan ook geen doorslaggevende betekenis worden toegekend bij de vraag of de TW onder de werking van het Verdrag valt. De rechtbank is het verder niet eens met het standpunt van verweerder dat de TW buiten het Verdrag valt omdat de toeslag, anders dan de loondervinguitkeringen, betaald wordt uit de algemene middelen en daarom vergeleken moet worden met de Abw, welke wet ook niet onder het Verdrag valt. De wetgever heeft de TW expliciet op één lijn gesteld met de loondervinguitkeringen, waarop zij een aanvulling vormt, en heeft de TW willen onderscheiden van de Abw (Tweede Kamer, vergaderjaar 1985-1986, 19 257, nr. 3, pagina 4). Een vermogenstoets zoals in de Abw ontbreekt ook in de TW. Bij de TW is geen aparte, nieuwe tak van sociale zekerheid geregeld en heeft geen uitbreiding van rechthebbenden plaatsgevonden. Het gaat slechts om een ophoging/aanvulling van bestaande uitkeringen in verband met de gezinssamenstelling van de verzekerde. De TW behoort dan ook niet tot de uitzonderingen van art. 1, tweede lid, Verdrag. Nu de TW onder de toepasselijkheid van het Verdrag valt, verzet art. 5 van dat Verdrag zich in het geval van eiser tegen toepassing van art. 4a, eerste lid, TW en art. XI van de Wet BEU. Raad van bestuur van het UWV, verweerder. mrs. D. de Loor, C.J. Waterbolk, J.L. Verbeek Algemeen verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (Trechtbank 1972, 34) 1.1.a, 1.2 TW 4a Wet BEU XI
De uitspraak op rechtspraak.nl