Rb. 's-Gravenhage 24 juli 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AE8375

Amv / leeftijdsonderzoek / ex-nunctoetsing. Niet in het geding is dat verzoeker mogelijk minderjarig was ten tijde van zijn asielaanvraag. Verweerder is echter van oordeel dat het verschil tussen de door verzoeker opgegeven leeftijd en de leeftijd zoals die is vastgesteld aan de hand van het leeftijdsonderzoek zodanig groot is dat verzoeker in elk geval moet worden geacht onjuiste gegevens ten aanzien van zijn leeftijd te hebben verstrekt, waardoor zijn identiteit ernstig in het geding komt en waardoor het onderzoek naar adequate opvang is gefrustreerd. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder kennelijk toepassing gegeven heeft aan het beleid zoals opgenomen in hoofdstuk C2/7.4.1 Vc 2000. Daarin verbindt verweerder gevolgen aan het afleggen van ongeloofwaardige en tegenstrijdige verklaringen door vreemdelingen, wier minderjarigheid op zichzelf niet in geding is. De door verweerder in casu toegepaste afwijzingsgrond kwam nog niet voor onder het ten tijde van verzoekers asielaanvraag geldende beleid. Het oude beleid moet op dit punt dan ook als gunstiger voor verzoeker worden beschouwd. De vraag komt op of het algemeen bestuursrechtelijk beginsel dat inhoudt dat in bezwaar het voor betrokkene gunstigste beleid moet worden toegepast, ook in deze zaak zou moeten worden toegepast. De voorzieningenrechter acht in dit verband mogelijk van belang dat in TBV 2001/33 staat vermeld dat op vóór 4 januari 2001 door alleenstaande minderjarigen ingediende asielaanvragen het oude beleid van toepassing blijft. Het is niet vanzelfsprekend dat voornoemd algemeen bestuursrechtelijk rechtsbeginsel zou moeten leiden tot een positieve beantwoording van de opgeworpen vraag. In de jurisprudentie lijkt te zijn aanvaard dat aan de Vw 2000 onmiddellijke werking toekomt voor wat de toepassing van het materiële recht betreft, ook in die gevallen waarin de primaire besluiten nog met toepassing van het oude recht zijn genomen. Deze onmiddellijke werking berust niet op een expliciet in de Vw 2000 opgenomen overgangsrechtelijke bepaling, maar is blijkens de memorie van toelichting afgeleid uit de regel van algemeen bestuursrecht dat in bezwaar ex nunc wordt getoetst. Gelet op dit onmiddellijkheidsbeginsel zou in dit geval toepassing van het nieuwe beleid, dat immers is opgesteld ter uitvoering van de nieuwe wettelijke regels, aangewezen zijn. Uit de jurisprudentie met betrekking tot het algemene bestuursrecht valt niet af te leiden dat het ex-nunckarakter van de beoordeling in bezwaar als zodanig in alle gevallen zou meebrengen dat in bezwaar volgens het nieuwe recht zou moeten worden getoetst. Het in dit verband van belang zijnde artikel 7:11 Awb is ook geen regel van overgangsrecht. Deze procedure acht de voorzieningenrechter niet aangewezen voor een deugdelijke afweging van de twee voornoemde rechtsbeginselen. Toewijzing verzoek.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen