Rb. 's-Gravenhage 22 april 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AE8120

Ongewenstverklaring / voortgezet verblijf. Verzoeker, van Turkse nationaliteit, heeft op 28 januari 2001 een aanvraag ingediend om een vtv zonder beperkingen met als doel vestiging, gebaseerd op ‘voortgezet verblijf c.q. wedertoelating’. Verweerder heeft op 31 januari 2001 een vtv voortgezet verblijf geweigerd en verzoeker tevens ongewenst verklaard, omdat hij op 6 oktober 1995 is veroordeeld tot twee jaar plaatsing in een inrichting voor buitengewone behandeling en op dat moment geen rechtmatig verblijf heeft. De voorzieningenrechter in de bezwaarfase overweegt dat verweerder, alvorens tot ongewenstverklaring over te gaan, in alle gevallen een zorgvuldige belangenafweging moet maken tussen enerzijds de belangen van de vreemdeling en anderzijds het algemeen belang. In casu is niet gebleken dat een dergelijke afweging heeft plaatsgevonden. Bij de belangenafweging moeten in ieder geval worden betrokken het feit dat verzoeker als sinds zijn vierde jaar in Nederland verblijft en in dat opzicht geen binding meer heeft met Turkije, dat hij pas zeven jaar na de veroordeling ongewenst is verklaard, en de vraag of verzoeker nog steeds een actuele bedreiging vormt voor de openbare orde, nu van verdere antecedenten niet is gebleken. Voorts is relevant de gang van zaken bij het verlopen van de verblijfsvergunning op basis van gezinshereniging, met name de vraag of voldaan is aan de verplichting van verweerder om verzoeker te wijzen op de mogelijkheid conversie te vragen, en het verval van het verblijfsrecht bij het bereiken van de leeftijd van achttien jaar. Onduidelijk is derhalve of aan eiser op het moment van de veroordeling verblijf had kunnen worden geweigerd. Het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd. De nieuwe aanvraag van eiser voor een vestigingsvergunning wegens voortgezet verblijf c.q. wedertoelating is door verweerder onder de Vw 2000 ten onrechte aangemerkt als een aanvraag verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, in plaats van onbepaalde tijd. Nu verweerder bovendien de aanvraag alleen heeft getoetst aan de beperking voortgezet verblijf, en niet aan wedertoelating, wordt verweerder geacht geen beslissing te hebben genomen op de oorspronkelijke aanvraag van 28 januari 2001. Toewijzing verzoek.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen