Rb. 's-Gravenhage 17 april 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AE7972
Irak / Mandese goudsmid / zorgvuldige voorbereiding. Eisers hebben onder andere tijdens het nader gehoor, tijdens het gehoor van de ambtelijke commissie en ter zitting aangegeven dat de door hun ondervonden problemen zien op de specifieke groep van Mandese goudsmeden. Door verweerder is gesteld dat de Mandese gemeenschap openlijke religieuze bijeenkomsten kan organiseren en publicaties kan verspreiden. Bovendien hebben leden van de Mandese gemeenschap officiële contacten met de overheid. Gelet hierop overweegt verweerder dat niet aannemelijk is geworden dat de arrestatie en detentie van eiser gericht waren tegen de geloofsovertuiging van eisers. De rechtbank overweegt dat deze stelling onvoldoende is onderbouwd. Het enkele feit dat uit het ambtsbericht van 9 april 2001 zou blijken dat de Mandese gemeenschap openlijk religieuze bijeenkomsten kan houden en publicaties kan verspreiden, kan naar het oordeel van de rechtbank niet leiden tot de conclusie dat eisers derhalve niet te vrezen hebben voor vervolging op grond van hun geloofsovertuiging. De rechtbank is van oordeel dat uit het gestelde ter zitting, het gehoor van de ambtelijke commissie van 10 juni 1999 en de nadere gehoren van eisers voldoende aannemelijk is geworden dat eisers, als leden van Mandese gemeenschap, in de speciale negatieve belangstelling staan van de autoriteiten. Tevens is aan eisers een verblijfsalternatief tegengeworpen, uitgaande van de onjuiste veronderstelling dat eisers niet als vluchteling kunnen worden beschouwd. Nu aannemelijk is geworden dat eisers in de speciale negatieve aandacht van de autoriteiten staan, is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. Verweerder dient te onderzoeken of eisers banden hebben in de zin van de notitie van de UNHCR van 14 juni 1999. Dehalve is er sprake van schending van artikel 3:2 Awb. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl