Rb. 's-Gravenhage 6 juni 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AE7279
Bewaring / categoriewijziging. In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat - hoewel uit de Vw 2000, noch uit de daarop gebaseerde regelingen van enige voorgeschreven termijn blijkt - het wenselijk is dat verweerder met voortvarendheid een categoriewijziging tot stand brengt. Echter, ook indien dat niet (met voortvarendheid) zou geschieden, brengt dat nog niet als vanzelfsprekend de onrechtmatigheid van de bewaring met zich. Immers, niet in de grond voor de bewaring, noch in de daartoe redengevende omstandigheden treedt een wijziging op; de wijziging betreft slechts de wettelijke bepaling op basis waarvan de bewaring kan worden gelast. Een en ander leidt er dan ook toe dat, ook indien verweerder zou nalaten de categoriewijziging tot stand te brengen, de bewaring eerst - en dan van rechtswege - onrechtmatig wordt met ingang van de eerste dag waarop de in artikel 59, vierde lid, Vw 2000, bedoelde termijn van vier of zes weken (afhankelijk van de vraag of toepassing wordt gegeven aan artikel 39 Vw 2000) wordt overschreden, te rekenen vanaf de datum van aanvraag. Omtrent het moment van aanvraag is de rechtbank van oordeel dat na het aan verweerder zenden van de door eiseres ondertekende verklaring, waarin duidelijk is aangegeven dat zij asiel wenst aan te vragen, het op de weg van verweerder had gelegen op korte termijn na ontvangst daarvan actie te ondernemen. De rechtbank gaat er in dit geval van uit dat de aanvraag dateert van 24 mei 2002. Een en ander betekent voor deze zaak dat de termijn van artikel 59, vierde lid, Vw 2000, op die datum geacht moet worden te zijn gaan lopen en van rechtswege zal eindigen met ingang van respectievelijk 21 juni 2002, dan wel 5 juli 2002. De rechtbank acht de bewaring niet op deze grond onrechtmatig. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl