Rb. 's-Gravenhage 25 juli 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AE7237

Opvang / onthouding / bevoegdheid vreemdelingenkamer. Op basis van artikel 6 en 16 Rva is aan eiser de maatregel opgelegd van onthouding van alle Rva-verstrekkingen, alsmede ontzegging van de toegang tot het AZC voor de duur van vier weken. Bij de rechtbank is beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar tegen deze maatregel. De rechtbank verklaart zich onbevoegd van het geschil kennis te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank is in casu geen sprake van het onthouden dan wel beëindigen van verstrekkingen bij of krachtens deze wet als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, Wet COA. In de memorie van toelichting op dit artikel is immers expliciet verwoord dat artikel 3a Wet COA uitsluitend beroep op de vreemdelingenrechter mogelijk maakt indien het besluit of de handeling het gevolg is van een beslissing op de aanvraag op grond van de Vw 2000. In het geval verstrekkingen los van een beslissing op de aanvraag geheel of gedeeltelijk worden onthouden of beëindigd, bijvoorbeeld wegens overtreding van de huisregels, blijven de mogelijkheden van rechtsbescherming ongewijzigd. In die gevallen zal de bestuursrechter bevoegd zijn. De rechtbank wijst er in dit verband nog op dat in tegenstelling tot de vreemdelingenrechter, die deskundig is op het terrein van het vreemdelingenrecht, de deskundigheid op het terrein van het beoordelen van opgelegde maatregelen bij de algemene bestuursrechter berust. De rechtbank verklaart zich onbevoegd en bepaalt dat het beroep wordt doorgezonden naar de bestuursrechter van de rechtbank Leeuwarden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen