Rb. 's-Gravenhage 19 augustus 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AE7080
Vertrekmoratorium / Irak / categoriale bescherming. De rechtbank stelt voorop dat uit de ambtshalve bekende informatie van, onder meer, Amnesty International niet blijkt dat sprake is van het verwijderen van Centraal-Irakezen naar Centraal-Irak door de Noord-Irakese autoriteiten. Anders dan eiser meent is dit ook niet de conclusie die moet worden getrokken uit een door eiser genoemde passage op pagina 30 van het ambtsbericht inzake Turkije/Irakezen van 19 december 2001. Uit deze passage blijkt immers slechts dat in sommige gevallen personen worden gesommeerd Noord-Irak te verlaten. Het instellen van een vertrekmoratorium in de zin van artikel 45, vierde lid, Vw 2000 is blijkens de memorie van toelichting (TK 1998-1999, 26 732, nr. 3) in het leven geroepen voor situaties waarin, nadat de aanvraag onherroepelijk is afgewezen en de vreemdeling Nederland dient te verlaten, de situatie in het land van herkomst zodanig wijzigt dat onzeker is of daar naartoe kan worden uitgezet. Het vertrekmoratorium kan maximaal één jaar voortduren. Blijkens het ambtsbericht van 9 april 2002 en de uitlatingen van verweerder ter zitting, is de minister van Buitenlandse Zaken nog altijd in onderhandeling met de KRG inzake de mogelijkheden van vestiging van Centraal-Irakese asielzoekers in Noord-Irak. De rechtbank beschikt niet over concrete aanwijzingen dat dit overleg niet langer gaande is. Gelet hierop heeft de minister van Justitie in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat op dit moment nog geen sprake is van een voldongen feit (te weten een definitief gewijzigd standpunt van de KDP/KRG inzake toelating van asielzoekers uit Centraal-Irak). De omstandigheid dat verweerder blijkens het rapport van de Stichting INLIA van 2 oktober 2001 wellicht eerder op de hoogte had kunnen/moeten zijn van een mogelijk gewijzigd standpunt van de KDP/KRG maakt het voorgaande niet anders. De rechtbank is van oordeel dat een definitieve blokkade van de toelating van asielzoekers afkomstig uit Centraal-Irak van de kant van de Noord-Iraakse autoriteiten consequenties kan hebben voor het toelatingsbeleid, hetgeen ter zitting ook door verweerder is erkend. Gelet echter op de omstandigheid dat het overleg nog steeds gaande is en gelet op de hiervoor genoemde passage in de memorie van toelichting heeft verweerder in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat een vertrekmoratorium op dit moment het juiste instrument voor de ontstane situatie is en dat de ontstane problemen ten aanzien van toelating van uitgeprocedeerde asielzoekers afkomstig uit Centraal-Irak in Noord-Irak vooralsnog niet hoeft te leiden tot een wijziging in het toelatingsbeleid. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl