Rb. 's-Gravenhage 7 augustus 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AE7077

Vertrekmoratorium / Irak / categoriale bescherming. Voor een heropening van het onderzoek ziet de rechtbank geen aanleiding. In het verzoek daartoe heeft de gemachtigde van eiser gesteld dat gelet op de inhoud van de brief van de minister van Justitie van 21 mei 2002 aan de Tweede kamer, het beroep gegrond verklaard dient te worden. De rechtbank overweegt dat de minister van Justitie in genoemde brief aan de Tweede Kamer heeft medegedeeld dat het kabinet heeft besloten om met ingang van 21 mei 2002 op basis van artikel 45, vierde lid, Vw 2000, voor rechtmatig verwijderbare asielzoekers afkomstig uit Centraal-Irak een vertrekmoratorium in te stellen. Hiertoe is overgegaan omdat blijkens het ambtsbericht van 9 april 2002, de Koerdistaanse Democratische Partij (KDP) en de Kurdistan Regional Government (KRG) uitgeprocedeerde asielzoekers afkomstig uit Centraal-Irak niet langer tot hun gebied toelaten. De minister van Justitie kondigt in deze brief aan dat hij samen met de minister van Buitenlandse Zaken besprekingen zal gaan voeren met de betreffende partijen over de toegang tot het KDP-/KRG-gebied en dat nader onderzoek zal worden gedaan naar de modaliteiten van terugkeer naar het gebied van de Patriottische Unie van Koerdistan (PUK). De minister van Justitie wijst er voorts op dat de nu ontstane situatie geen enkele relatie heeft met de feitelijke (veiligheids-)situatie in Noord-Irak. Het feit dat thans problemen zijn ontstaan met betrekking tot de terugkeer van asielzoekers afkomstig uit Centraal-Irak, is geen aanleiding om het toelatingsbeleid ten aanzien van personen afkomstig uit deze groep te wijzigen. Het beslissen op individuele asielaanvragen van personen uit deze categorie zal daarom gewoon doorgang vinden. De rechtbank overweegt dat, gelet op het in voornoemde brief aangekondigde overleg, rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de door de KDP en KRG opgeworpen belemmeringen van tijdelijke aard zullen zijn. Het vertrekmoratorium ziet niet op de toelating van vreemdelingen, maar heeft ingevolge artikel 45, vierde lid, Vw 2000 tot gevolg dat de daaronder vallende categorieën - zoals nader omschreven in het TBV 2002/21 - rechtmatig verblijf hebben en derhalve niet uitzetbaar zijn. Dat verweerder in de tussentijd aan de als gevolg van de houding van de KDP en KRG ontstane situatie gevolgen voor het toelatingsbeleid dient te verbinden, is een conclusie waartoe naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanleiding bestaat. De inhoud van de brief van de minister van Justitie van 21 mei 2002 tast daarom de rechtmatigheid van het bestreden besluit niet aan. Beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen