Rb. 's-Gravenhage 12 juni 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6548

Driejarenbeleid / Associatieovereenkomst EG-Turkije. De bestreden besluiten zijn onbevoegd genomen. Op grond van artikel 4, tweede lid, van de Algemene machtigingsregeling IND kan de minister van Justitie geen mandaat verlenen tot het nemen van een besluit in een individueel geval dat contrair is aan het door de ACV met het oog op dat besluit uitgebrachte advies, tenzij de afwijking van het advies is gebaseerd op gewijzigde feiten en omstandigheden. In de bestreden besluiten is afgeweken van de door de ACV ter zake uitgebrachte adviezen, waarin immers is geadviseerd tot gegrondverklaring van het bezwaar. Nu voorts de afwijking van de adviezen van de ACV niet is gebaseerd op gewijzigde feiten en omstandigheden door verweerder is bevestigd, zijn de bestreden besluiten ten onrechte niet door de minister van Justitie zelf genomen. De beroepen zijn derhalve gegrond. Aan eiseres is ten onrechte een vtv op grond van het driejarenbeleid onthouden. De onderhavige procedure is aangevangen met een aanvraag van eiseres om verlenging van haar vtv voor het verrichten van arbeid in loondienst. Verweerder heeft gesteld dat eiseres ten tijde van het bestreden besluit niet meer aan de belangrijkste voorwaarde voor het verlenen van een vtv voldeed, en niet zou zijn gebleken dat het oorspronkelijke verblijfsdoel nog aanwezig was, nu zij op dat moment geen arbeid in loondienst meer verrichtte. Nu het voor eiseres zeer moeilijk was om - rechtmatig - arbeid in loondienst te verrichtten, vanwege de feitelijke obstakels die verweerder hiertoe heeft opgeworpen, heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat het oorspronkelijke verblijfsdoel niet meer aanwezig was. Uit deze feitelijke obstakels voor het - rechtmatig - verrichten van arbeid in loondienst volgt tevens dat eiseres niet kan worden tegengeworpen dat zij niet meer aan de belangrijkste voorwaarde van het betreffende beleid voldeed, en had verweerder gebruik moeten maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid. Ook aan eiser is ten onrechte een vtv op grond van het driejarenbeleid onthouden. De stelling van verweerder dat eiser niet aan de voorwaarden van dit beleid voldoet omdat zijn procedure betrekking heeft op de intrekking van een vtv en niet op een aanvraag om een vtv houdt geen stand, gelet op de ratio van het driejarenbeleid. Ook ten aanzien van eiser is immers, in materiële zin, sprake van een toelatingsprocedure, nu niet valt in te zien waarin de onzekerheid waarin eiser heeft verkeerd verschilt van de onzekerheid van een vreemdeling die procedeert over de weigering hem een vtv te verlenen. Eiseres kan geen rechten ontlenen aan artikel 6, eerste lid, tweede gedachtestreepje van Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije. Besluit 1/80 gaat immers uit van de geleidelijke opbouw van rechten van Turkse werknemers, waaruit volgt dat deze werknemers pas na drie jaar legale arbeid van werkgever kunnen veranderen zonder de rechten die zij aan het betreffende artikel kunnen ontlenen te verliezen. Nu eiseres ten tijde van de expiratie van haar vtv nog geen drie jaar legale arbeid bij dezelfde werkgever had verricht voldoet zij niet aan deze voorwaarde. Verweerder zal ten slotte een beslissing moeten nemen over de vraag of eiseres rechten kan ontlenen aan artikel 7, eerste lid, van Besluit 1/80. Eiseres is immers tot Nederland toegelaten voor (verruimde) gezinshereniging met haar (Turkse) vader en heeft vervolgens meer dan drie jaar legaal in Nederland verbleven.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen