Rb. 's-Gravenhage 11 april 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6294
Ongewenstverklaring / toepasselijk recht / onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Eiser is veroordeeld tot in totaal 175 dagen jeugddetentie. Ook is hem de maatregel ex artikel 77h, vierde lid, WvSr opgelegd (twee jaren plaatsing in een inrichting voor jeugdigen). Verweerder stelt dat de opgelegde maatregel is te bezien als een onherroepelijke veroordeling onder het strafrecht aangezien deze samenhangt met het plegen van een strafbaar feit. De opgelegde maatregel betreft echter geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder c, Vw j° hoofdstuk A5/6.2 Vc-1994. Op grond van hoofdstuk A4/4.3.2.1 Vc-1994 wordt eerste toelating geweigerd op grond van elke onvoorwaardelijke gevangenisstraf of vrijheidbenemende maatregel wegens een misdrijf. De zinsnede 'of vrijheidsbenemende maatregel' ontbreekt in artikel 21, aanhef en onder c, Vw en hoofdstuk A5/6.2 Vc-1994, zodat verweerder zelf kennelijk onderscheid heeft willen maken tussen de gronden voor ongewenstverklaring en het weigeren van eerste toelating. De beslissing op bezwaar wordt beheerst door het regime van de Vw 2000 en aanverwante regelingen. Op grond van artikel 6.5, onder c, Vb 2000 kan eiser in dat geval wel (mede) op basis van de hem opgelegde maatregel ongewenst worden verklaard. Nu echter zowel de aanvraag om een vtv als de beslissing in primo tot ongewenstverklaring dateert van vóór 1 april 2001, is het voor eiser meest gunstige recht, zijnde de Vw en aanverwante regelingen, van toepassing. Het besluit tot ongewenstverklaring wordt niet gedragen door zijn motivering. Verweerder heeft bij de beoordeling van de vraag of aan eiser toelating kan worden geweigerd wegens gevaar voor de openbare orde de wederzijdse belangen onvoldoende gemotiveerd afgewogen. Eiser heeft gesteld dat de strafbare feiten op jeugdige leeftijd zijn gepleegd, dat de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen was gericht op een voor hem zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling, alsmede dat uit de overgelegde rapporten blijkt dat geen sprake is van recidive. Het feit dat de strafrechter rekening houdt met de omstandigheden waaronder een strafbaar feit is gepleegd, brengt niet mee dat verweerder niet zelf gemotiveerd zou hoeven in te gaan op dergelijke gestelde feiten en belangen aan de zijde van eiser. In een nieuw te nemen besluit dient verweerder in elk geval aandacht te besteden aan de eisers leeftijd ten tijde van begaan van de strafbare feiten, de ernst van de strafbare feiten, de tijd die is verstreken tussen het begaan van de strafbare feiten en de te nemen beschikking en de prognose die spreekt uit de door eiser overgelegde rapporten ten aanzien van de aan de strafbare feiten ten grondslag liggende problematiek. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl