Rb. 's-Gravenhage 6 augustus 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6271

Bewaring / bevoegdheid Staatssecretaris van Justitie na kabinetsformatie. Het bevel tot inbewaringstelling is op 23 juli 2002, de dag na het aantreden van het kabinet Balkenende, door de Staatssecretaris van Justitie genomen. Bij Koninklijk Besluit van 22 juli 2002 is mr. H.P.A. Nawijn benoemd tot Minister zonder portefeuille en belast met aangelegenheden betreffende Vreemdelingenzaken en Integratie. Als gevolg van dit Koninklijk Besluit is met terugwerkende kracht tot 22 juli 2002 - gelet op de grondwettelijke bevoegdheid van artikel 44, eerste lid, Gw - een wijziging aangebracht in de ministeriële taakverdeling ter zake van het nemen van beslissingen op grond van de Vw 2000, en is de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie bevoegd besluiten op grond van deze wet te nemen. Daar voornoemd Koninklijk Besluit eerst in de Staatscourant van 25 juli 2002, nr. 140, p. 7 is gepubliceerd en derhalve eerst op dat moment het Koninklijk Besluit kenbaar is geworden, was de Staatssecretaris van Justitie ten tijde van het nemen van de bestreden beslissing nog bevoegd tot het nemen van de bestreden beslissing. Krachtens het Koninklijk Besluit is de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie met ingang van de datum van het Besluit, te weten 22 juli 2002, benoemd. De werking van het Koninklijk Besluit is daarmee met terugwerkende kracht tot 22 juli 2002 van toepassing verklaard, waardoor de bevoegdheid van de Staatssecretaris van Justitie is geconverteerd in een bevoegdheid van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie als zijn rechtsopvolger. Beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen