Rb. 's-Gravenhage 17 juni 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6177
Bewaring / vrije termijn. Op grond van artikel 12, eerste lid, aanhef en onder d Vw 2000 in verbinding met de artikelen 3.2 en 2.9, eerste lid, aanhef en onder a Vb 2000 eindigt een vrije termijn van rechtswege indien ten aanzien van de vreemdeling concrete aanwijzingen bestaan dat deze een inbreuk op de openbare orde heeft gepleegd of zal plegen. Ingevolge artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt (voordat de vervolging is aangevangen) als verdachte aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan eenig strafbaar feit voortvloeit. Uit het procesdossier blijkt dat eiser is aangehouden en in verzekering gesteld op verdenking van een strafbaar feit. De bevoegdheid tot aanhouding en inverzekeringstelling kan (reeds) worden aangewend indien een persoon als verdachte in bovenbedoelde zin kan worden aangemerkt. Het in artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a Vb 2000 gebezigde criterium 'concrete aanwijzingen' eist echter een (beduidend) sterkere mate van vermoeden of aanwijzing van betrokkenheid van de vreemdeling bij een inbreuk op de openbare orde. Dat volgt niet alleen uit de bewoordingen, maar blijkt bijvoorbeeld ook uit de parlementaire geschiedenis op artikel 50, eerste lid Vw 2000: teneinde een meer actief binnenlands toezicht op vreemdelingen te bewerkstelligen, verving de wetgever het in artikel 19, eerste lid Vw voor staandehouding gebezigde criterium 'concrete aanwijzingen over illegaal verblijf' door het (door de wetgever als ruimer gekenschetste) criterium (geobjectiveerd) 'redelijk vermoeden van illegaal verblijf'. De stelling van verweerder dat de enkele verdenking van het begaan van een strafbaar feit is gelijk te stellen aan de concrete aanwijzing dat een vreemdeling een inbreuk op de openbare orde heeft gepleegd, op grond waarvan de vrije termijn eindigt, kan daarom niet worden gevolgd. Zo echter al zou moeten worden aangenomen dat de wetgever (niettegenstaande de gebruikte bewoordingen) heeft bedoeld dat de vrije termijn ook op grond van de enkele verdenking van het begaan van een strafbaar feit van rechtswege zou eindigen, dan verdient beantwoording de vraag of die vrije termijn ook kan herleven. Die vraag moet bevestigend worden beantwoord. In dit geval staat vast dat het strafrechtelijk onderzoek tegen eiser is geëindigd en dat eiser zonder dagvaarding is heengezonden en overgedragen aan de vreemdelingendienst met als doel een uitzettingsprocedure te starten. Voorts staat vast dat op het moment dat eiser in vreemdelingenbewaring werd gesteld tegen hem geen strafvervolging was ingesteld. Onder die omstandigheden moet worden geoordeeld dat zó de vrije termijn van eiser al van rechtswege was komen te vervallen, die vrije termijn is herleefd na de heenzending. Op het moment dat aan hem de maatregel van vreemdelingenbewaring werd opgelegd, verbleef eiser dus rechtmatig in Nederland en kon hij niet op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a Vw 2000 in bewaring worden gesteld. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl