Rb. 's-Gravenhage 3 juni 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AE6074

Draagkrachtberekening in Vergoedingenbesluit gemeente Zoetermeer niet in overeenstemming met berekeningswijze als bepaald in art. 3 Regeling inzake financiële tegemoetkomingen en eigen bijdragen Wvg. Verweerder heeft aan eisers een financiële tegemoetkoming in de kosten voor de aanpassing van de woning van eisers (de plaatsing van een traplift) toegekend en de eigen bijbetaling van eisers bepaald op ƒ 3000,- over het draagkrachtjaar. Eisers achten de wijze van draagkrachtberekening niet in overeenstemming met art. 3 Regeling. Rechtbank: De Regeling zelf geeft geen eenduidig uitsluitsel over de inhoud van het begrip 'ruimte in het inkomen'. Dat begrip is immers niet in de Regeling gedefinieerd. Uit de vergelijking van art. 3 Regeling, zoals die luidde tot 1 april 1996, met de tekst van art. 3 van de Regeling, na de wijzing in 1996, blijkt dat uitsluitend de genoemde bedragen en het draagkrachtpercentage zijn gewijzigd. Het woord 'norminkomen' in art. 3, tweede en derde lid, van de Regeling (oud) is vervangen door '1,5 maal het norminkomen' in art. 3, tweede en derde lid, van de Regeling (nieuw) en het in art. 3, tweede lid, (oud) genoemde maximale bedrag van ƒ l86,- bedraagt na de wijziging van de Regeling ƒ 100,-. In de Toelichting bij de oude Regeling (Stcrt 1993, 227) is voor de wijze van draagkrachtberekening uiteengezet dat de draagkracht, bij een netto inkomen niet hoger dan het norminkomen, ten hoogste ƒ 186,- bedraagt. Voor inkomens boven dat norminkomen bedraagt de draagkracht maximaal ƒ 186,- plus het draagkrachtpercentage van het surplusinkomen. Nu uit de vergelijking van de tekst van art. 3 van de Regeling zoals die luidde vóór en na 1 april 1996 is gebleken dat slechts de inkomensgrens en het maximaal bedrag is gewijzigd en uit de Toelichting bij de wijziging met ingang van 1 april 1996 niet blijkt dat de wetgever de rekenmethode heeft willen wijzigen, is de rechtbank van oordeel dat de systematiek van de draagkrachtberekening gelijk is gebleven. Dat betekent dat de wijziging van de Regeling tot gevolg heeft dat onder 'ruimte in het inkomen' respectievelijk het surplusinkomen het meerdere boven 1,5 maal het norminkomen moet worden begrepen. Voor de berekeningswijze van de draagkracht volgt daaruit dat de draagkracht maximaal ƒ 100,-, plus het draagkrachtpercentage van dat surplusinkomen bedraagt. De rechtbank heeft bij haar oordeel omtrent de juiste wijze van draagkrachtberekening mede in aanmerking genomen dat de voornoemde berekeningswijze ook de meest redelijke oplossing is. De berekening voorkomt dat de eigen bijbetalingen van gehandicapten met een bijna gelijk netto inkomen ver uit elkaar lopen om de reden dat hun inkomens net boven of net beneden de inkomensgrens liggen. Anders dan verweerder heeft gesteld bestaat bij deze berekeningswijze wel degelijk draagkracht bij inkomens onder 1,5 maal het norminkomen. Volgens art. 3.2 Regeling is dit maximaal ƒ 100,-. Verweerders gemeente heeft er echter voor gekozen om bij een inkomen onder de 1,5 maal het norminkomen de draagkracht op nihil te stellen. De rechtbank concludeert derhalve dat de wijze van draagkrachtberekening zoals die is vastgelegd in het Vergoedingenbesluit van verweerder niet in overeenstemming is met de berekeningswijze zoals bepaald in art. 3 Regeling. Anders dan art. 1.a Vergoedingenbesluit juncto art. 1.c Vergoedingenbesluit bepaalt, dient volgens art. 3 Regeling het draagkrachtpercentage genomen te worden over het verschil tussen 1,5 maal het norminkomen en het inkomen van de gehandicapte. Burgemeester en wethouders van Zoetermeer, verweerder. mr. D. de Loor Uitspraak in hoger beroep verneitigd; LJN AT5403

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen