Rb. 's-Gravenhage 28 mei 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AE5519

Opvang / beëindigen verstrekkingen / bevoegdheid vreemdelingenkamer. Het geschil in beroep ziet op de op 8 oktober 2001 op grond van het ROV aan betrokkenen opgelegde maatregel om de rva-verstrekkingen over een periode van twee weken in te houden. Het verzoek is ingediend hangende bezwaar tegen een beslissing van 16 oktober 2001 tot overplaatsing op grond van artikel 7 Rva. De rechtbank oordeelt dat bij de besluiten van 8 oktober 2001 sprake is van een strafmaatregel en dat deze besluiten niet zien op het onthouden dan wel de beëindiging van verstrekkingen bij of krachtens deze wet als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, Wet COA. Uit dit artikel volgt niet dat besluiten over het inhouden van verstrekkingen ook onder de werking van dit artikel moeten worden gebracht. De rechtbank wijst vervolgens erop dat blijkens de MvT bij dit artikel het de bedoeling van de wetgever is geweest de bevoegdheid om van geschillen als de onderhavige kennis te nemen bij de algemene bestuursrechter te laten berusten. De rechtbank verklaart zich onbevoegd en bepaalt dat verweerder alsnog een beslissing op het als bezwaarschrift aan te merken beroepschrift neemt. De voorzieningenrechter oordeelt allereerst dat de beslissing tot overplaatsing als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb moet worden aangemerkt. Nu voorts uit de tekst van artikel 7 Rva als uit de bedoeling van de wetgever blijkt dat overplaatsing op grond van artikel 7 Rva niet leidt tot beëindiging van de verstrekkingen, verklaart de voorzieningenrechter zich, onder verwijzing naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 7 februari 2002 inzake AWB 01/21037, onbevoegd om van het geschil kennis te nemen en bepaalt dat het verzoek ter behandeling wordt doorgezonden naar de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen