Rb. 's-Gravenhage 27 februari 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AE5480
Medische behandeling / bronnen. Kazachstaanse eiser verzoekt vtv humanitair dan wel wegens medische behandeling omdat bij terugzending adequate medische behandeling niet mogelijk is. Verweerder is van mening dat eiser ook in Kazachstan kan worden behandeld, waar hij ook eerder is behandeld. Naar het oordeel van de rechtbank dient de niet nader toegelichte stelling in een advies van de medisch adviseur (MA) dat behandelmogelijkheden in het land van herkomst voorhanden zijn en de enkele vermelding daarbij dat beschikbare bronnen zijn geraadpleegd in dit geval als onvoldoende onderbouwing te worden aangemerkt. Dit klemt temeer nu alle stukken die destijds gebruikt zijn door de MA niet meer geproduceerd kunnen worden. Geconcludeerd dient te worden dat verweerder, alvorens het advies van de MA ten grondslag te leggen aan het bestreden besluit, zich er niet, althans niet kenbaar, van heeft vergewist of het afgegeven advies van de MA zorgvuldig tot stand was gekomen, waartoe verweerder op grond van artikel 3:9 Awb wel gehouden was. De rechtbank constateert dat de MA de vraag naar de daadwerkelijke toegankelijkheid van aanwezige medische voorzieningen vanwege zijn beperkte taakstelling daar pleegt te laten, maar eveneens heeft geconcludeerd dat achterwege blijven of stopzetten van een noodzakelijke geachte medische behandeling zal leiden tot een acute medische noodsituatie en voorts dat behandeling van eiser ‘levenslang’ dient plaats te vinden. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank de in het onderhavige kader essentiële vraag of eiser na terugkeer in Kazachstan, gelet op zijn gezondheidstoestand, aldaar met de geestelijke of lichamelijke ondergang wordt bedreigd niet afdoende beantwoord met de conclusie dat Nederland vanwege behandelmogelijkheden in het land van herkomst voor eisers medische behandeling niet het meest aangewezen land is. Daarbij komt dat enerzijds niet vaststaat dat eiser destijds is behandeld voor dezelfde psychische klachten als thans in geding, anderzijds dat Kazachstan voor 1991 deel uitmaakte van de Sovjet-Unie en dat die staat opgehouden is te bestaan. De stand en de toegang tot medische behandelmogelijkheden in Kazachstan van voor 1991 en daarna zijn derhalve naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer vergelijkbaar. De aanwezigheid van familie in het land van herkomst weegt niet op tegen de afwezigheid in Kazachstan van het hier te lande wel bestaande mantelzorgnetwerk. De rechtbank hecht in dat verband betekenis aan de verklaring ter zitting van de behandelend verpleegkundige van eiser dat om eiser ook een heel sociaal netwerk is gebouwd dat hem in staat stelt op enigszins normale wijze te functioneren. De rechtbank overweegt dat de conclusie van de MA afwijkt van informatie van de behandelend geneesheren van eiser. In dat kader klemt dat de MA blijkens zijn advies het niet noodzakelijk heeft geacht eiser persoonlijk te zien dan wel nader specialistisch onderzoek te laten verrichten en dat een onderbouwing ook op dat punt ontbreekt. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl