Rb. 's-Gravenhage 5 april 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AE5463
Irak / vestigingsalternatief Noord-Irak. Verweerder heeft bij brief van 20 november 1998 het vvtv beleid voor Irak afgeschaft. Vanaf dat moment kon Noord-Irak naar het oordeel van verweerder voor bepaalde categorieën vreemdelingen worden aangemerkt als binnenlands vestigingsalternatief. Bij brief van 13 juli 2000 heeft verweerder aangegeven dat dit beleid in zoverre is gewijzigd dat het zich voordoen van individuele beletselen voor het tegenwerpen van een vluchtalternatief aan een persoon die aanspraak heeft op internationale bescherming zal leiden tot toekenning van de vluchtelingenstatus in plaats van een vtv-humanitair. Daarbij is opgemerkt dat Noord-Irak alleen dan nog als vluchtalternatief wordt tegengeworpen, indien betrokkene beschikt over banden, een en ander als bedoeld in de stelling van de UNHCR. Gelet op de categoriale beoordeling acht verweerder bij de beoordeling van de vraag of een beschermingsalternatief kan worden tegengeworpen de enkele vraag naar het aanwezig zijn van banden niet doorslaggevend. De rechtbank stelt vast dat de REK, blijkens haar uitspraak van 20 maart 2000, verweerders stellingname destijds zo heeft begrepen dat verweerder, ondanks de verschillende benamingen, geen onderscheid hanteert tussen de beschermingsalternatieven, die aan te onderscheiden categorieën vreemdelingen onder omstandigheden kunnen worden tegengeworpen. De REK heeft vervolgens geconcludeerd dat bij het tegenwerpen van een beschermingsalternatief aan de categorie vreemdelingen, waarbij is vastgesteld dat zij geen gegronde vrees hebben voor vervolging dan wel voor een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM, dezelfde maatstaven moeten worden aangelegd als bij tegenwerping van een beschermingsalternatief aan vreemdelingen, die wel aanspraak kunnen maken op internationale bescherming. Zodoende is de bandentoets door de REK noodzakelijk geoordeeld ook voor eerstgenoemde categorie vreemdelingen. Naar het oordeel van de rechtbank is met de door de REK, in haar uitspraak van 20 maart 2000, gegeven interpretatie van verweerders beleid dit beleid misverstaan. Met de beleidsbrieven (d.d. 5 juni 2001 betreffende het beleid van categoriale bescherming en het landgebonden asielbeleid) en de beantwoording van de door deze rechtbank gestelde vragen is - naar het oordeel van deze rechtbank - eerst nu ten volle duidelijk geworden dat verweerder in het kader van de categoriale beoordeling onder andere omstandigheden een beschermingsalternatief wil tegenwerpen dan in het kader van de individuele beoordeling, welke plaatsvindt bij de categorie vreemdelingen die aanspraak hebben op internationale bescherming. Blijkbaar ter voorkoming van verdere misverstanden is daarom ook in de aanbiedingsbrief van 5 juni 2001, voornoemd, te kennen gegeven dat de Vc 2000 op dit punt zal worden aangepast. Daarmee is eerst nu duidelijk geworden dat de beleidsbeslissing, die ten grondslag ligt aan de intrekking van de vvtv en ten gevolge waarvan bij de beoordeling van de vtv-humanitair, bijzondere gevallen daargelaten, niet behoeft te worden ingegaan op de bandentoets, wel is gebaseerd op een draagkrachtige motivering. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl