Rb. 's-Gravenhage 26 juni 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AE4981

Voor vervoersvoorzieningen die niet algemeen gebruikelijk zijn geldt de inkomenstoets niet. Afwijzing verzoek om vergoeding van vervoerskosten bestaande uit vergoeding van de aanschaf van een 45 km-wagen (scootmobiel) en vergoeding van de verreden en nog te rijden kilometers.Verweerder heeft daarbij overwogen dat het inkomen van eiser boven de inkomensgrens ligt. Rechtbank: De inkomenstoets geeft uitdrukking aan het uitgangspunt, dat voor personen met een bepaald inkomen het bezit van een auto in onze tijd als algemeen gebruikelijk wordt beschouwd. Alleen voor de in art. 10 van de Regeling inkomenstoets voorzieningen REA nader aangeduide gevallen geldt de inkomensgrens niet. Daarbij gaat het om vervoersvoorzieningen die, gezien hun aard, niet algemeen gebruikelijk zijn. Ze zijn bedoeld voor de situatie dat de betrokkene een handicap heeft, en daarom is aangewezen op een speciale voorziening. Naar het oordeel van de rechtbank zou eiser alleen aanspraak hebben kunnen maken op een vergoeding voor de aanschaf van een speciaal vervoermiddel, indien voldoende aannemelijk zou zijn geworden dat hij, gezien zijn handicap, op een speciaal (45 km-)voertuig is aangewezen. In casu moet echter worden aangenomen dat eiser medisch gezien, ondanks polyarthrose (klachten van pols en vingers) niet ongeschikt is voor het besturen van een normale kleine personenauto met stuurbekrachtiging. Het tegendeel is door eiser niet aannemelijk gemaakt. Met het oog op de inkomenstoets komt eiser evenmin in aanmerking voor een (kilometer)vergoeding voor het gebruik van een bijzonder type auto. De rechtbank beantwoordt ten slotte de vraag of verweerder bij het vaststellen van eisers inkomen bepaalde kosten wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid (in casu aanschafprijs scootmobiel) in mindering had moeten brengen ontkennend. De rechtbank overweegt daartoe dat in art. 4 van de Regeling inkomenstoets vervoersvoorzieningen REA, zoals dat artikel luidde toen verweerder het bestreden besluit nam, is bepaald dat op het inkomen in mindering worden gebracht kosten ter zake van ziekte of arbeidsongeschiktheid van de persoon die de vervoersvoorziening aanvraagt of aan wie de vervoersvoorziening is toegekend, alsmede van zijn echtgenoot of van zijn gezinsleden indien zij voor hun levensonderhoud mede afhankelijk zijn van zijn inkomen, voor zover die kosten niet uit andere hoofde kunnen worden vergoed en naar het oordeel van het Lisv als buitengewone lasten zijn aan te merken. In casu is niet aan deze voorwaarden voldaan. Beroep ongegrond. Raad van bestuur van het UWV, verweerder. mr. C.J. Waterbolk

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen