Rb. 's-Gravenhage 3 april 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AE4586
Bewaring / staandehouding / binnentreden. De rechtbank overweegt als volgt. Ingevolge artikel 53, eerste lid, Vw 2000 zijn de ambtenaren belast met de grensbewaking en de ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen bevoegd een woning te betreden zonder toestemming van de bewoner, indien er op grond van feiten en omstandigheden, naar objectieve maatstaven gemeten, een redelijk vermoeden bestaat dat op deze plaats een vreemdeling verblijft die geen rechtmatig verblijf heeft. Uit de machtiging binnentreden van een woning noch uit het proces-verbaal van staandehouding valt op te maken of de regels van de Awbi zijn nageleefd. Zo is niet duidelijk onder welke omstandigheden de politieambtenaren de woning van eiser zijn binnengetreden, nu in het dossier een verslag hiervan ontbreekt. Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld heeft verweerder ook na het onderzoek ter zitting geen duidelijkheid hieromtrent weten te verschaffen. Het moet er derhalve naar het oordeel van de rechtbank voor gehouden worden dat de politieambtenaren in strijd met de Awbi de woning van eiser zijn binnengetreden. Dit leidt tot onrechtmatigheid van de daaropvolgende staandehouding en inbewaringstelling, omdat het bij de inbewaringstelling gestelde belang niet in redelijke verhouding staat tot de belangen geschonden door het binnentreden van de woning van eiser in strijd met de Algemene Wet op het Binnentreden, nu deze wet een uitwerking vormt van een in de grondwet vastgelegd grondrecht. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de bewaring van eiser van meet af aan onrechtmatig was. Beroep gegrond, toekenning schadevergoeding.
De uitspraak op rechtspraak.nl