Rb. 's-Gravenhage 21 mei 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AE4542

Procesbelang / doorprocederen. Aan eiseres, afkomstig uit Burundi, is een vvtv verleend op grond van artikel 12a Vw, die ingevolge artikel 115, zesde lid, Vw 2000 per 1 april 2001 is omgezet in een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiseres stelt dat erkenning van haar aanspraak van een oude a- of c-status onder de vigeur van de Vw thans dient te leiden tot een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Gelet op artikel 117 Vw 2000 heeft verweerder ten onrechte de aanvraag niet aangemerkt als een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Uit de regel van de onmiddellijke werking vloeit voort dat alleen op een nieuwe aanspraak nieuw materieel recht moet worden toegepast. De rechtbank is van oordeel dat het nieuwe recht onmiddellijke werking heeft, ook in een situatie waarin het nieuwe recht in werking is getreden gedurende de bezwaarfase. Voor deze situatie zijn in de Vw 2000 geen specifieke inhoudelijke overgangsbepalingen opgenomen en geldt daarom het onmiddellijkheidsbeginsel. Voorts is van belang de algemeen bestuursrechtelijke regel dat in bezwaar ex nunc wordt beslist. Dit brengt mee dat verweerder niet gehouden is om te beoordelen of eiseres onder de oude wet aanspraak had kunnen maken op toelating als vluchteling en dat verweerder eiseres - nu gesteld noch gebleken is dat ten tijde van de beslissing op bezwaar drie jaar rechtmatig verblijf is aan te wijzen - met recht in bezwaar geen verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd heeft verleend. Daarbij wijst de rechtbank er op dat artikel 117, eerste lid, Vw 2000 niet ziet op aanvragen waarop reeds voor 1 april 2001 is beslist. Het betoog van eiseres dat van een ruimere werking van artikel 117 Vw 2000 uitgaat kan dan ook geen doel treffen. Beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen