Rb. 's-Gravenhage 18 februari 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AE3809

Enkele feit van strafvervolging wegens drugdelict buiten de dienst kan ontslag wegens wangedrag buiten diensttijd niet dragen als verweerder niet bereid is uitkomst van de strafrechtelijke procedure af te wachten. Verzoeker is ingaande 1 december 2001 ontslagen onder toepassing van art. 39.2.l AMAR. Verweerder heeft daarbij overwogen dat verzoeker bij de ingangscontrole van een discotheek is betrapt op het bezit van vijf XTC-pillen. De voorzieningenrechter overweegt dat in casu noch sprake was van een zorgvuldige procedure noch van een zorgvuldige belangenafweging. De voorzieningenrechter heeft daarbij overwogen dat verweerder niet heeft kunnen aangeven welke belangenafweging tussen het horen op 9 november 2001 en het ontslagbesluit van 14 november ten aanzien van verzoeker heeft plaatsgevonden. Ook de in de beslissing op bezwaar van 28 januari 2002 opgenomen belangenafweging overtuigt de voorzieningenrechter niet. In voormeld besluit wordt overwogen dat bezit, gebruik vervoer of handel in harddrugs altijd leidt tot het in gang zetten van een ontslagprocedure en dat schade aan het ambt van beroepsmilitair in ieder geval aan de orde is indien een militair strafrechtelijk wordt vervolgd wegens een drugsdelict buiten de dienst (beleidsbrief van de Bevelhebber der Luchtstrijdkrachten van 20 augustus 1996, punt 7). Hoewel de voorzieningenrechter deze overwegingen op zichzelf niet onjuist acht, neemt dat niet weg dat een ontslagbesluit zorgvuldig moet worden voorbereid en dat het enkele feit van een strafvervolging wegens een drugsdelict buiten de dienst op zichzelf een ontslag wegens wangedrag buiten de dienst niet kan dragen als verweerder niet bereid is de uitkomst van de strafrechtelijke procedure af te wachten, welke situatie zich ten aanzien van verzoeker heeft voorgedaan: de beslissing op het bezwaar dateert van 28 januari 2002, het arrest van het Gerechtshof van 30 januari 2002. Hoewel voor verweerder geen verplichting bestaat om de uitkomst van een strafrechtelijke procedure af te wachten, gelet op de bevoegdheid van verweerder om tot ontslagverlening over te gaan, kan men zich ter motivering van (de handhaving van) een ontslagbesluit niet van dit argument bedienen in een situatie als hier aan de orde. In geval van wangedrag buiten de dienst voor zo ver dit gedrag niet in overeenstemming is met het aanzien van het ambt vanwege een tegen de betrokken beroepsmilitair ingezette strafvervolging op die grond dient verweerder de afloop daarvan af te wachten ene het oordeel van de militaire strafrechter in zijn besluitvorming als werkgever te betrekken. Zou daarvan worden afgezien dan zou immers ook in geval van vrijspraak van betrokkene door de militaire strafrechter aan diens vonnis geen rechtspositionele betekenis toekomen, omdat reeds het enkele feit van strafvervolging tot ontslag wegens wangedrag buiten de dienst zou leiden. Deze benadering is evident in strijd met het recht (art. 6.2 EVRM) en kan daarom niet worden aanvaard. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan het bestreden besluit evenmin op inhoudelijke gronden stand houden. Het feit waarvoor verzoeker is veroordeeld is het pure bezit van vijf XTC-pillen bij een avondje “stappen tijdens het carnaval” Verzoekers argument dat hij het wel heel onhandig heeft aangepakt als hij welbewust de bedoeling zou hebben gehad de genoemde drugs voor eigen of andermans gebruik in de discotheek binnen te smokkelen treft naar het oordeel van de voorzieningenrechter doel. In dit stadium staat allerminst vast dat het -formeel strafbare- gedrag van verzoeker enige relevantie heeft (gehad) voor de inzetbaarheid van de Klu, van zijn onderdeel of voor zijn eigen inzetbaarheid als beroepsmilitair. Toch is juist daarin de kern gelegen van het door verweerder gevoerde drugsbeleid. Onder deze omstandigheden kan niet zonder gedegen belangenafweging en zorgvuldige motivering worden gekomen tot het oordeel dat verzoeker wel te nadele van de inzetbaarheid van de krijgsmacht heeft gehandeld en daarom niet als beroepsmilitair kan worden gehandhaafd Toewijzing van verzoek om voorlopige voorziening, in dier voege dat verzoeker tot zes weken na de uitspraak in het beroep van verzoeker wordt behandeld als ware hij in dienst van verweerder gebleven. Staatssecretaris van Defensie, verweerder. mr. J.W. Sentrop

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen