Rb. 's-Gravenhage 14 februari 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AE3456
Ongewenstverklaring / uitzetting. Een ongewenstverklaarde vreemdelinge wenst schorsende werking hangende een aanvraag van 20 juli 2000 tegen niet inwilliging van aanvraag om verlening van een vtv klemmende redenen van humanitaire aard, en wenst subsidiair verblijf bij dochter, c.q. verblijf bij partner. Dit verzoek dient beantwoord te worden tegen de achtergrond van het oude recht. Hierin ontbrak een met de in het huidige artikel 61 Vw 2000 opgenomen vertrekplicht vergelijkbare regeling. Aangezien artikel 67, derde lid, Vw 2000 in dit geval evenmin een rol speelt, kan de enkele omstandigheid dat verzoekster ongewenst is verklaard, niet met zich brengen dat het haar niet is toegestaan de behandeling van haar aanvraag in Nederland af te wachten. In hoofdstuk A6/4.2.1 Vc-1994 staat - voor zover van belang - vermeld dat de beslissing op een aanvraag om toelating in de regel in Nederland mag worden afgewacht. De vreemdeling kan echter niettemin worden uitgezet indien er gevaar bestaat voor de openbare orde. Zolang verweerder nog geen besluit heeft genomen over de uitzetting, mag verzoekster de aanvraag in Nederland afwachten.
De uitspraak op rechtspraak.nl