Rb. 's-Gravenhage 15 maart 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AE2020

Bewaring / tijdige kennisgeving. De strafrechtelijke detentie van eiser, een Iraniër, expireert op 3 maart 2002. Op 1 maart 2002 heeft verweerder aan eiser het besluit bekend gemaakt dat eiser met ingang van 3 maart 2002 (direct aansluitend op zijn strafrechtelijke detentie) in bewaring wordt gesteld. Verweerder heeft op 5 maart 2002 de rechtbank van de inbewaringstelling op de hoogte gesteld. Ten aanzien van de vraag of de kennisgeving door verweerder tijdig is gedaan overweegt de rechtbank dat het besluit tot inbewaringstelling van vrijdag 1 maart 2002 dateert. Op grond van artikel 94 Vw 2000 zou verweerder op maandag 4 maart 2002 de rechtbank op de hoogte moeten stellen. Omdat de genoemde termijn geen twee dagen bevat die geen zaterdag, zondag of feestdag zijn wordt deze termijn verlengd tot 5 maart 2002 (artikel 2 ATW). De procedure leidende tot de inbewaringstelling is in overeenstemming met de wettelijke vereisten. In het besluit is bepaald dat de maatregel terstond na en in aansluiting op de strafrechtelijke detentie ingaat. Anders dan rechtbank Amsterdam heeft geoordeeld is de rechtbank van oordeel dat de wet niet verhindert dat in een besluit tot inbewaringstelling bepaald wordt dat de bewaring ingaat op een latere datum. Bewaring is gericht op uitzetting. Verweerder kan reeds gedurende de strafdetentie uitzettingshandelingen verrichten. De vreemdeling is op goede gronden in bewaring gesteld en het voortduren van de maatregel is niet onrechtmatig. Beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen