Rb. 's-Gravenhage 22 maart 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AE1994
Somalië / Reer Hamar / alleenstaande vrouw. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de ambtsberichten van 16 februari 2000 en 12 juni 2001 niet als grondslag dienen voor het oordeel dat alleenstaande Reer Hamar vrouwen een vestigingsalternatief hebben in het relatief veilige deel van Somalië. De verwijzing van verweerder naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 januari 2002, waarin de Afdeling tot het oordeel komt dat minderheidsgroeperingen in zijn algemeenheid over een verblijfsalternatief beschikken in het veilige deel van Somalië, omdat dit in het ambtsbericht van 12 juni 2001 staat vermeld en er geen concrete aanwijzingen zijn op grond waarvan aan de juistheid van deze stelling moet worden getwijfeld, volgt de rechtbank niet. Dit omdat in dit zelfde ambtsbericht over vrouwen behorend tot de minderheidsgroepen wordt gesteld dat geen informatie is over hun positie en het ambtsbericht van 16 februari 2000 een concreet aanknopingspunt biedt voor de stelling dat een alleenstaande Reer Hamar vrouw geen verblijfsalternatief heeft in het noorden van Somalië. De bestreden beschikking is gelet hierop niet deugdelijk gemotiveerd. Beroep gegrond
De uitspraak op rechtspraak.nl