Rb. 's-Gravenhage 6 januari 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AE1860
AC-procedure / termijnoverschrijding. Eiser, afkomstig uit Sierra Leone, stelt dat zijn asielaanvraag zich niet leende voor afdoening in de AC-procedure. Eiser heeft betoogd dat de beschikking is uitgereikt na het verstrijken van de 48-uurstermijn. Verweerder vult het begrip ‘procesuur’ aldus in dat daaronder niet is begrepen de tijd die aan rechts)bijstandverlening van de vreemdeling wordt besteed voor zover die tijd uitgaat boven de twee en drie uren die gegeven zijn voor (rechts)bijstandverlening bij de voorbereiding van het nader gehoor respectievelijk het naar voren brengen van een schriftelijke zienswijze. Verweerder heeft daartoe gewezen op de reeds jarenlang bestaande praktijk en de met rechtsbijstandverleners gemaakte afspraken. De rechtbank oordeelt dat artikel 1.1, onder f, van het Vb 2000 voor deze invulling geen ruimte biedt. Onder verwijzing naar de uitspraak 200105777/1 van de ABRS d.d. 20 december 2001 oordeelt de rechtbank dat - buiten de uren van 22.00 tot 8.00 uur - in beginsel alle uren die sedert de aanmelding van de vreemdeling tot de uitreiking van de beschikking verstrijken als procesuren zijn aan te merken, met uitzondering van de uren die ten gevolge van door verweerder aan te voeren en aannemelijk te maken feiten en omstandigheden redelijkerwijs niet voor het onderzoek naar de aanvraag konden worden benut. De rechtbank overweegt dat die uren dat (rechts)bijstand aan de vreemdeling wordt verleend, in beginsel voor het onderzoek naar de aanvraag beschikbaar zijn. Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt waarom de extra uren besteed aan (rechts)bijstandverlening aan eiser niet aldus voor het onderzoek konden worden benut. De enkele stelling dat deze tijd niet voor het onderzoek is benut is daartoe onvoldoende. Met betrekking tot het betoog van verweerder dat eiser om extra tijd voor het naar voren brengen van een schriftelijke zienswijze heeft verzocht en de zorgvuldigheid meebrengt dat dat verzoek wordt gehonoreerd, overweegt de rechtbank dat in het Vb 2000 op dit punt, in de laatste volzin van het zesde lid van artikel 3.115 Vb 2000, een afweging is gemaakt. Dat verweerder niet gebruik maakt van zijn bevoegdheid om een beschikking op de aanvraag te geven zodra niet binnen de in het Vb2000 gegeven termijn een schriftelijke zienswijze naar voren is gebracht, brengt dan ook niet mee dat bedoelde extra tijd niet als voor het onderzoek beschikbaar moet worden aangemerkt. Beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl