Rb. 's-Gravenhage 25 januari 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AE0894

AC-procedure / 48-uurstermijn. Verzoeker is op 8 januari 2002 om 21.10 uur bij de SRA aangemeld voor de voorbespreking van het nader gehoor. De voorbespreking eindigde op 9 januari 2002 om 12.53 uur. Zodoende heeft de SRA de haar toebedeelde tijd met 3 uur en 43 minuten overschreden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze tijdsoverschrijding niet aangemerkt kan worden als proces-uren, omdat verweerder deze uren redelijkerwijs niet voor onderzoek naar de aanvraag heeft kunnen benutten. Immers het vervolgen van het onderzoek naar de aanvraag na afronding van het eerste gehoor betekent het afnemen van het nader gehoor. Met het afnemen van het nader gehoor kon verweerder echter pas een aanvang maken nadat de vreemdeling zich met zijn rechtshulpverlener op het nader gehoor had voorbereid. Voorts blijkt uit de 'Voortgang procedure AC-Schiphol' dat verweerder reeds op 10 januari 2002 om 21.15 uur de (concept) beschikking gereed had, maar met de uitreiking in afwachting van de resultaten van de nabespreking van het nader gehoor heeft gewacht tot 11 januari 2002, 9.45 uur. Met het opstellen van de beschikking op 10 januari 2002 om 21.15 uur was op dat moment verweerders onderzoek vooralsnog geëindigd. Niet valt in te zien welke activiteiten verweerder redelijkerwijs kon uitvoeren. Pas na het afronden van de nabespreking van het tweede gehoor door de vreemdeling en zijn rechtshulpverlener op 10 januari 2002 om 21.40 uur kon verweerder de behandeling van de aanvraag weer voortzetten. Echter, zelfs wanneer de uren die verweerder niet voor onderzoek heeft kunnen benutten (4.08 uur), buiten aanmerking wordt gelaten, is de conclusie dat verweerder de aanvraag van verzoeker heeft afgewezen buiten de in artikel 3.112 Vb bedoelde 48 procesuren. Er bestaat evenwel aanleiding om op de voet van artikel 8:72, derde lid, Awb de rechtsgevolgen van de onderhavige beschikking in stand te laten. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging door Hezbollah en komt derhalve niet in aanmerking voor de gevraagde verblijfsvergunning asiel. Hierbij weegt mee dat verzoeker heeft aangegeven om financiële redenen zijn land van herkomst te hebben verlaten. Voorts zijn van de zijde van verzoeker geen inhoudelijke argumenten aangevoerd tegen de bestreden beschikking. Ten slotte is in dit verband van belang dat de inhoud van de verklaringen van verzoeker en hetgeen hij overigens naar voren heeft gebracht geen enkele aanknopingspunt bevatten dat nader onderzoek naar zijn asielmotieven informatie zou kunnen opleveren op grond waarvan verweerder gehouden zou zijn verzoeker een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 Vw 2000 te verlenen. Beroep gegrond, afwijzing verzoek.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen