Rb. 's-Gravenhage 14 maart 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AE0842
AC-procedure / 48-uurstermijn. Noch uit de Vw 2000, noch uit de Vb 2000 noch uit de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State valt eenduidig af te leiden wat de aanvangstijd van de 48-uurstermijn is. In hoofdstuk C3/12 Vc 2000 is opgenomen dat de 48-uurstermijn aanvangt op het moment dat de vreemdelingendienst begint met het eerste onderzoek van de eerste fase. Tussen de aanmelding op afspraak, de zogenaamde slagboomtijd, en de hiervoor bedoelde feitelijke opname in de asielprocedure geldt volgens dezelfde paragraaf in de Vc een maximale wachttijd van vier uur. Gelet op de definitie van proces-uur, zoals gegeven in artikel 1.1 Vb 2000 en de in het bijzonder uit de artikelen 3.108 en 3.109 blijkende systematiek van het Vb 2000 moet worden geoordeeld dat de aanvangstijd van de 48 uurs-procedure in beginsel ingaat op het moment van het indienen van de aanvraag. Een uitzondering hierop kan worden gemaakt indien verweerder, voorafgaande aan de indiening van de aanvraag, reeds onderzoekshandelingen met betrekking tot die aanvraag verricht die het kader van artikel 3.109 Vb 2000 te buiten gaan. In de onderhavige situatie is dit echter niet gesteld of gebleken. Het is aan verweerder om te beoordelen of een zorgvuldige besluitvorming in de weg staat aan het geven van een beschikking zonder dat een zienswijze naar voren is gebracht. Bij deze beoordeling dient verweerder te betrekken het gewicht van de zaak in relatie tot de tijd die de vreemdeling heeft voor het naar voren brengen van de zienswijze. Bij het aspect van het gewicht van de zaak is onder meer van belang het door de vreemdeling naar voren gebrachte relaas, de mate waarin dit relaas met bewijsstukken is geadstrueerd en is verweven met de algemeen bekende situatie in het land van herkomst en de omvang en de intensiteit van het onderzoek naar de juistheid van de door de vreemdeling verstrekte gegevens. Een en ander betekent dat verweerder ook zonder dat een zienswijze is ontvangen mag overgaan tot het geven en uitreiken van de beschikking indien hij tot het standpunt komt dat gelet op het gewicht van de zaak in de beschikbare tijd een zienswijze had kunnen worden naar voren gebracht. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de dossierstukken en het verhandelde ter zitting, verweerder ook zonder een zienswijze af te wachten heeft kunnen besluiten de aanvraag af te wijzen. Niet is gebleken dat eisers gemachtigde inhoudelijk is ingegaan op de vraag of er nader onderzoek noodzakelijk was ter beantwoording van de vraag of er aanspraak bestaat op een verblijfsvergunning. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl