Rb. 's-Gravenhage 29 januari 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AE0250
Somalië / Reer Hamar / categoriale bescherming. De rechtbank acht de door verweerder geschetste uitgangspunten voor het voeren van een beleid van categoriale bescherming, zoals neergelegd in de vvtv-indicatorenbrief van 18 december 1997 en de notitie van 23 mei 2001, niet kennelijk onredelijk. In het bijzonder overschrijdt verweerder de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet door bij de vraag of het voeren van een dergelijk beleid aangewezen is, in beginsel geen zelfstandige betekenis toe te kennen aan de algemene humanitaire situatie (in sociaal-economische zin). Gelet op het doel en strekking van de vvtv, namelijk als onderdeel van het asielbeleid en als aanvulling op de daarbij gehanteerde individuele toelatingsgronden, is het standpunt van verweerder dat met het voeren van een categoriaal beschermingsbeleid primair wordt beoogd om bescherming te bieden tegen (ernstig en willekeurig) menselijk geweld gerechtvaardigd. Ook de (categoriale) maatstaf die verweerder aanlegt bij de beoordeling of sprake is van een binnenlands vestigingsalternatief kan niet als kennelijk onredelijk worden beschouwd. Reeds in de vvtv-indicatorenbrief heeft verweerder aangegeven dat de algehele situatie in een land als uitgangspunt geldt voor het al dan niet voeren van een vvtv-beleid en dat individuele omstandigheden daarbij geen rol spelen. Daaruit volgt dat bij de beoordeling of voor een asielzoeker die niet op individuele gronden voor toelating in aanmerking komt een verblijfsalternatief in een deel van zijn land bestaat, de algehele situatie in dat deel van het land daarbij het uitgangspunt zal vormen. Naar het oordeel van de rechtbank biedt het ambtsbericht van 16 februari 2000 een voldoende grondslag voor het maken van een onderscheid tussen het onveilige en vvtv-waardige zuidelijke deel van Somalië, en het noordelijke en centrale deel van Somalië, waar van een dergelijke geweldssituatie geen sprake is. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de beschrijving van de feitelijke situatie in Somalië in dit ambtsbericht bevestigd wordt in het ambtsbericht van 12 juni 2001. De rechtbank deelt de conclusie van de Afdeling in haar uitspraak van 14 januari 2002 dat de brieven van Amnesty International van 13 juni 2001 en 3 oktober 2001 onvoldoende aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat van de juistheid en volledigheid van de informatie in de genoemde ambtsberichten niet zou kunnen worden uitgegaan. Datzelfde geldt voor de brief van VluchtelingenWerk van 11 januari 2002 en de door eiser overgelegde berichten uit de media. Verweerder heeft zich voorts op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat zich voor leden van de Reer Hamar in het relatief veilige deel van Somalië geen, naar plaatselijke maatstaven gemeten, categoriale humanitaire noodsituatie voordoet. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl