Rb. 's-Gravenhage 31 januari 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AE0150

Nu toereikende wettelijke grondslag voor het bepaalde in tweede lid van art. 5 Regeling vergoeding pleeggezinnen ontbreekt, dient dit artikellid onverbindend te worden verklaard. Eiser ontvangt t.b.v. zijn pleegkind een pleegzorgvergoeding. Eiser heeft, na overlijden van de moeder van zijn pleegkind, een halfwezenuitkering aangevraagd. Verweerster heeft deze uitkering toegekend en medegedeeld dat het maandelijks op de aan eiser verstrekte pleegzorgvergoeding in mindering te brengen bedrag is vastgesteld op ƒ 295,92. Verweerster heeft dit bedrag vervolgens herzien en vastgesteld op ƒ 303,96. In de bezwaarprocedure is het bedrag nader bepaald op ƒ. 100,-- per maand. Verweerster is van mening dat de halfwezenuitkering die eiser ontvangt een bedrag is dat wordt verstrekt voor de opvoeding en verzorging van de jeugdige en dat verweerster op grond van. art. 5.2 Regeling verplicht is om dit bedrag in mindering te brengen op de pleegzorgvergoeding. Het gaat hier naar verweerster stelt om een dwingendrechtelijke bepaling welke verweerster geen beleidsruimte laat daarvan af te wijken. Verweerster is voorts van mening dat het aannemelijk is dat onder "inkomen van de jeugdige" ook inkomsten vallen die het pleeggezin ontvangt ten behoeve van de opvoeding en verzorging van de jeugdige. Verweerster ziet onvoldoende redenen om aan te nemen dat de Regeling in strijd is met de Wjhv. Verweerster heeft tenslotte medegedeeld dat zij een "symbolisch" bedrag van ƒ 100,-- per maand in mindering brengt, opdat zij op deze wijze voldoende rekening houdt met het feit dat het ontvangen van een halfwezenuitkering gevolgen kan hebben voor het besteedbaar inkomen van het pleeggezin, maar tevens de Regeling uitvoert. De rechtbank komt tot de conclusie dat noch in de tekst van de Regeling, noch in de toelichting enige grond is te vinden voor de uitbreiding die de regelgever in art. 5.2 van de Regeling heeft gegeven aan het in art. 40 Wjhv opgenomen begrip "inkomen van de jeugdige". De rechtbank is voorts van oordeel dat laatstbedoeld begrip zodanig duidelijk is en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar dat daaronder niet tevens kunnen worden begrepen de in art. 5.2 van de Regeling bedoelde bedragen. Ook in art. 5 van de Regeling wordt immers een onderscheid gemaakt tussen inkomsten van de jeugdige zelf (in het eerste lid) en inkomsten van het pleeggezin (in het tweede lid). Hieruit volgt dat de rechtbank met eiser van mening is dat een toereikende wettelijke grondslag voor het bepaalde in het tweede lid van art. 5 van de Regeling ontbreekt en dat dit artikellid onverbindend moet worden verklaard. Het daarop gebaseerde besluit komt derhalve wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking. Stichting Jeugdzorg Den Haag/Zuid-Holland Noord, verweerster. mrs. M.D.J. van Reenen-Stroebel, J.W. Sentrop, M. Kramer

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen