Rb. 's-Gravenhage 7 februari 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AD9731
Opvang / overplaatsing / bevoegdheid vreemdelingenrechter. Uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoekers zijn overgeplaatst naar een ander asielzoekerscentrum. De bevoegdheid tot plaatsing dan wel overplaatsing van asielzoekers is in artikel 7 Rva opgedragen aan het COA. Na overplaatsing worden de verstrekkingen van artikel 5, eerste lid, Rva, ingevolge artikel 7, tweede lid, Rva, in het andere centrum ontvangen. De opvangvoorzieningen worden niet stopgezet en de aanspraak op de voorzieningen blijft in volle omvang bestaan. De overplaatsing op grond van artikel 7 Rva wordt onderscheiden van het geheel of gedeeltelijk onthouden van verstrekkingen op grond van artikel 6 Rva. Zowel blijkens de tekst van artikel 7 Rva, als de bedoeling van de regelgever, leidt de overplaatsing op grond van artikel 7 Rva niet tot beëindiging van de verstrekkingen op grond van de Rva. Gelet hierop is artikel 3a Wet COA niet van toepassing op de bestreden beslissing, nu dat artikel ziet op besluiten of handelingen in het kader van het onthouden of beëindigen van verstrekkingen. Tegen een beslissing tot overplaatsing kan derhalve niet op grond van artikel 71 Vw 2000 beroep worden ingesteld bij de vreemdelingenkamer van de rechtbank ’s-Gravenhage. Aangezien verweerder geen bestuursorgaan, genoemd in artikel 8:7, eerste lid, Awb is, is ingevolge het tweede lid van dat artikel de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats in Nederland heeft bevoegd. De rechtbank ’s-Gravenhage kan derhalve, ook niet in de hoedanigheid van algemene bestuursrechter, bevoegd worden. Aangezien de rechtbank niet bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, verklaart de voorzieningenrechter zich met toepassing van artikel 8:84, tweede lid, onder a, Awb, onbevoegd van het verzoek kennis te nemen.
De uitspraak op rechtspraak.nl