Rb. 's-Gravenhage 30 januari 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AD9060

Overgangsrecht / procesbelang / doorprocederen. Eiser, een Afghaan, heeft in 1999 asiel gevraagd. Hij heeft bezwaar en beroep tegen het niet tijdig beslissen ingediend. De rechtbank heeft bepaald dat verweerder uiterlijk op 23 februari 2001 moet beslissen. Verweerder beslist op 1 mei 2001en verleent een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, onder d, Vw 2000. De rechtbank merkt dit besluit aan als een besluit op bezwaar. Als uitgangspunt geldt daarbij dat ingevolge artikel 7:11 Awb, beslist moet worden met inachtneming van het ten tijde van de te nemen beschikking geldende recht. Dat in het vreemdelingenrecht een aanvraag veelal aan het recht getoetst wordt dat geldt op het moment van die aanvraag doet aan de onmiddellijke werking van de wet niet af. Er is in de Vw 2000 geen andersluidend overgangsrecht getroffen. Artikel 34, in samenhang gelezen met artikel 40 Vw 2000 heeft onmiddellijke werking, tenzij er overgangsrecht is getroffen. Artikel 115 ziet slechts op verblijfsvergunningen die feitelijk zijn verleend. Er is geen aanleiding voor een extensieve interpretatie van artikel 115 Vw 2000 en die bepaling biedt geen grondslag voor verlening van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd binnen de in artikel 34 Vw 2000 neergelegde termijn. Het overgangsrecht biedt geen ruimte voor rechtsherstel in die zin dat eiser, als hij vluchteling is, in de zelfde positie behoort te worden gebracht als waarin hij verkeerd zou hebben als hij voor 1 april 2001 als vluchteling zou zijn toegelaten. De stelling van eiser dat hem na 1 april 2001 een verblijfvergunning voor onbepaalde tijd had kunnen zijn verleend, wordt door de rechtbank niet gevolgd. Ten aanzien van de stelling dat het besluit onvoldoend gemotiveerd is omdat niet gemotiveerd is waarom eiser niet voor toelating op grond van de a t/m c grond in aanmerking komt overweegt de rechtbank dat verweerder gehandeld heeft zoals de wetgever voor ogen heeft gestaan. Het besluit is voldoende gemotiveerd. Verweerder kan, bij het vervallen van de d grond, slechts tot intrekking overgaan als zich geen van de overige verleningsgronden voordoen. Die beschikking zal dan in rechte getoetst kunnen worden. De handelwijze van verweerder is niet in strijd met het vluchtelingenverdrag en met artikel 3 EVRM. Betrokkene heeft voorts geen actueel belang om in zijn beroep te kunnen worden ontvangen. Beroep niet-ontvankelijk

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen