Rb. 's-Gravenhage 7 januari 2002, ECLI:NL:RBSGR:2002:AD8265

Bevoegdheid vreemdelingenkamers / nevenzittingsplaatsen. De wettelijke grondslag voor de behandeling van beroepen, ingesteld tegen besluiten op grond van de Vw 2000, door nevenzittingsplaatsen van de rechtbank 's-Gravenhage, is met ingang van 1 januari 2002 niet meer gelegen in de Vw 2000, maar in artikel 41, tweede lid, Wet op de rechterlijke organisatie. In het Besluit nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen is niet voorzien in de aanwijzing van de hoofdplaatsen van de andere arrondissementen (alsmede Haarlemmermeer) als nevenzittingsplaats van de rechtbank 's-Gravenhage, blijkens de nota van toelichting (Stb 2001 nr. 616, p. 14) omdat dat al is geschied in artikel 7.1 Vb 2000. Daar artikel 7.1 Vb 2000 niet is gewijzigd bij voornoemd besluit, noch bij het Aanpassingsbesluit modernisering rechterlijke organisatie, rijst de vraag of de zinsnede "bedoeld in artikel 71, tweede lid, tweede volzin, van de Wet" in artikel 7.1 Vb 2000 meebrengt dat voornoemde bepaling niet gezien kan worden als algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 41 Wet op de rechterlijke organisatie. De hiervoor aangehaalde zinsnede brengt niet mee, dat de hoofdplaatsen van de andere arrondissementen (alsmede Haarlemmermeer) met ingang van 1 januari 2002 niet langer nevenzittingsplaatsen van de rechtbank 's-Gravenhage zijn voor beroepen tegen besluiten als bedoeld in artikel 71, eerste lid, Vw 2000. Derhalve kunnen de rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast en de gerechtsambtenaren (griffiers) na 1 januari 2002 in de nevenzittingsplaats Arnhem alle werkzaamheden verrichten (dan wel voortzetten) waartoe zij in de hoofdplaats bevoegd zijn. Beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen