Rb. 's-Gravenhage 10 mei 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:ZA7091
Bewaring / kennisgeving. De vraag ligt voor of verweerder ingevolge artikel 121, tweede lid, Vw 2000, binnen 28 na de uitspraak op het eerste beroep op 15 maart 2001 dan wel binnen 28 dagen na 1 april 2001 de rechtbank in kennis diende te stellen van het voortduren van de bewaring. In TBV 2001/11 heeft verweerder aan de hand van verschillende situaties zelf een nadere invulling aan artikel 121, tweede lid, Vw 2000 gegeven, opdat voorkomen wordt dat te veel zaken op één tijdstip moeten worden kennisgegeven en voorbereid. De situatie betreft die, waarbij de maatregel is opgelegd voor 1 april 2001, de rechter de maatregel rechtmatig heeft geacht in een uitspraak gedateerd na 4 maart 2001, en nadien geen vervolgberoep meer is ingesteld. Uiterlijk 28 dagen na de datum van de uitspraak wordt een vervolgkennisgeving als bedoeld in artikel 96, eerste lid, Vw 2000 verzonden aan de rechtbank. Ingevolge het beleid van verweerder had derhalve 28 dagen na de uitspraak van 15 maart 2001, dat is 12 april 2001, de kennisgeving als bedoeld in artikel 96, eerste lid, Vw 2000 moeten worden gedaan. Verweerder heeft echter eerst op 26 april 2001 een kennisgeving gedaan. Dit is evenwel nog binnen de termijn van 28 dagen na het tijdstip van inwerkingtreding van de Vw 2000. De rechtbank is van oordeel dat artikel 121, tweede lid, Vw 2000 zodanig moet worden begrepen dat in de tweede volzin uitsluitend tot uitdrukking wordt gebracht dat ook kennis van het voortduren van de bewaring moet worden gegeven indien een uitspraak op een eerste kennisgeving op grond van de Vw 1994 is gedaan. De termijn waarbinnen die kennisgeving moet worden gedaan is geregeld in de derde volzin van artikel 121, tweede lid, Vw 2000. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de kennisgeving van het voortduren van de vrijheidsbeneming tijdig is gedaan, nu deze is gedaan binnen 28 dagen na inwerkingtreding van de Vw 2000. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl