Rb. 's-Gravenhage 9 mei 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:ZA7063

Bewaring / reisdocument. De Turkse vreemdeling is in bewaring gesteld op grond van artikel 59, tweede lid, Vw 2000. Vast staat dat de vreemdeling niet beschikt over de in deze bepaling genoemde reisdocumenten. De vreemdeling kan op deze grond dan slechts in bewaring gesteld worden als de reisdocumenten binnen korte termijn voorhanden zullen zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk dat dit zo was ten tijde van de inbewaringstelling of het geval zal zijn. De stelling van verweerder dat op basis van algemene ervaringsgegevens te verwachten is dat binnen vier weken de noodzakelijke bescheiden voorhanden zullen zijn, is niet nader onderbouwd en is door de rechtbank niet te verifiëren. Daartoe is mede van belang dat de laissez-passer pas een week na de inbewaringstelling is aangevraagd en gesteld noch gebleken is dat een presentatie heeft plaatsgevonden. Gezien het voorgaande is aan het vereiste van het tweede lid van artikel 59 Vw 2000 niet voldaan. De inbewaringstelling was derhalve onrechtmatig. Beroep gegrond

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen