Rb. 's-Gravenhage 17 december 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:AD8260
Bewaring / staandehouding / binnentreden. De vreemdeling stelt dat het binnentreden zonder toestemming en zonder legitimatie heeft plaatsgevonden. In de machtiging tot binnentreden is niet gespecificeerd wie daarbij tot binnentreden wordt gemachtigd. Verweerder wordt niet gevolgd in zijn betoog dat de geschonden bepaling niet strekt tot bescherming van eiser, omdat hij geen (hoofd)bewoner is. Uit de wetsgeschiedenis van de Awbi blijkt dat de vraag of iemand bewoner is moet worden beantwoord op basis van de bestemming die feitelijke aan de betreffende ruimte wordt gegeven. Of iemand wel of niet aldaar in de GBA is ingeschreven wordt derhalve niet doorslaggevend geacht. De onregelmatigheden met betrekking tot het binnentreden maken de binnentreding niet onrechtmatig maken, omdat eiser daardoor niet in zijn belangen geschaad moet worden geacht. Daarvoor is het volgende redengevend. De politieagenten hebben aan de bewoners medegedeeld wie zij waren, zij deelden het doel van hun komst mede en toonden de machtiging. De politieambtenaren hebben zich niet gelegitimeerd, omdat de bewoners daarnaar niet vroegen en omdat zij veronderstelden dat het de bewoners uit hun verschijning wel duidelijk zou zijn dat zij met politie van doen hadden. Uit het proces-verbaal van 4 december 2001 blijkt daarnaast dat de machtiging tot binnentreden is opgemaakt op een tijdstip waarop nog niet duidelijk was welke politieambtenaren daadwerkelijk zouden binnentreden, omdat op dat moment nog onduidelijk was hoe de taken in de nachtdienst zouden worden verdeeld. Verzuimd is om alsnog de namen op de machtiging te vermelden, toen de taakverdeling wel duidelijk was. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl