Rb. 's-Gravenhage 26 november 2001, ECLI:NL:RBSGR:2001:AD7754
Bewaring / staandehouding / grenscontrole. De stelling van de gemachtigde van de vreemdeling dat het Mobiel Roulerend Toezicht (MRT) onbevoegdelijk een controle heeft uitgevoerd, berust op de aanname dat het MRT niet valt onder de Koninklijke Marechaussee. Dat standpunt is onjuist. Het door verweerder aan de rechtbank nagezonden proces-verbaal van staandehouding ter vaststelling van de identiteit, doet uitkomen dat de staandehouding van de vreemdeling plaatsvond na een melding dat een "vreemd persoon“ zich bij een gate van de D-pier op Schiphol "zeer zenuwachtig gedroeg“. Voorzover de gemachtigde van de vreemdeling met zijn stelling dat dit gedrag geen grond opleverde voor het uitoefenen van een controle, bedoelt te stellen dat het gedrag van zijn cliënt een dergelijke controle niet rechtvaardigde, is de rechtbank van oordeel dat verdacht gedrag, als hoedanig zeer zenuwachtig gedrag onder omstandigheden kan worden begrepen, alleszins het verrichten van een controle als in geding kan billijken. De rechtbank ziet, gelet op de inhoud van laatstgenoemd proces-verbaal, geen termen aanwezig de gegrondheid van de bewuste controle in twijfel te trekken. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl